uitloop
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈœytlopBetekenis
- het uitlopen
- het geleidelijk aan vaart verliezen en tot stilstand komen
- gelegenheid of mogelijkheid tot uitlopen
- plaats om uit te lopen
- monding
- afvoerbuis
Hoe spreek je uitloop uit?
/ˈœytlop/
Uitloop bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| l | land |
| o | boot |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| uitloopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| uitloopjes | verkleinwoord, meervoud |
| uitlopen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlopen
Vervoeging van uitloop
uitloophele werkwoord
Herkomst
samenstelling van uit en loop
Woordfamilie van uitloop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitloopje | verkleinwoord | uitloop |
| uitloopjes | verkleinwoord meervoud | uitloop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitloop zijn vastgelegd.