uitloper
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een groeiende, vaak kruipende, loot of stengel aan een boom of plant
- overdrachtelijk: iets dat op 1) gelijkt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| uitlopers | meervoud |
| uitlopertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| uitlopertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van uitlopen met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van uitloper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitlopers | meervoud | uitloper |
| uitlopertje | verkleinwoord | uitloper |
| uitlopertjes | verkleinwoord meervoud | uitloper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitloper zijn vastgelegd.