Naar de inhoud

uitlokken

verleiden, veroorzaken, iets of iemand iets laten doen

uitlokken

werkwoord ˈœytlɔkə(n)

Betekenis

  1. verleiden, veroorzaken, iets of iemand iets laten doen

Hoe spreek je uitlokken uit?

/ˈœytlɔkən/

Uitlokken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytlɔkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
l land
ɔ bot
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitlokken

uitlokkenhele werkwoord — lokte uitverleden tijd enkelvoud — lokten uitverleden tijd meervoud — uitgeloktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lok uit lokte uit
jij lokt uit lokte uit
hij, zij, het lokt uit lokte uit
wij lokken uit lokten uit
jullie lokken uit lokten uit
zij lokken uit lokten uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgelokt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgelokt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgelokt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgelokt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgelokt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgelokt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgelokt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgelokt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgelokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgelokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgelokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgelokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgelokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgelokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgelokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelokt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
lok uit gebiedende wijs
lokte uit verleden tijd
te hebben uitgelokt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitlokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te lokken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen lokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal lokken bijzin, toekomende tijd
uit zou lokken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden lokken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt lokken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen lokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen lokken bijzin, toekomende tijd
uit zult lokken bijzin, toekomende tijd
uitgelokt verleden tijd, deelwoord
uitgelokt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgelokt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgelokt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelokt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelokt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelokt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgelokt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgelokt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgelokt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgelokt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitlok bijzin, tegenwoordige tijd
uitlokkend onvoltooid, deelwoord
uitlokt bijzin, tegenwoordige tijd
uitlokte bijzin, verleden tijd
uitlokten bijzin, verleden tijd
waart uitgelokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgelokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgelokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgelokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgelokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgelokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgelokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgelokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgelokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgelokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgelokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgelokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgelokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgelokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgelokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgelokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgelokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgelokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgelokt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgelokt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgelokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgelokt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelokt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitlokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitlokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitlokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitlokken bijzin, toekomende tijd
zijn uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgelokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgelokt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelokt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgelokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgelokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelokt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelokt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelokt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitlokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitlokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitlokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitlokken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitlokken uit zou(dt) lokken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgelokt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelokt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgelokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgelokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgelokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgelokt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelokt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelokt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitlokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitlokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitlokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitlokken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgelokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgelokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgelokt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitlokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitlokken bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgelokt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelokt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgelokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgelokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgelokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgelokt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelokt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelokt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitlokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitlokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitlokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitlokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitlokken bijzin, toekomende tijd
zult uitgelokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit en lokken

Woordfamilie van uitlokken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
lok uit gebiedende wijs uitlokken
lokke uit woordvorm uitlokken
lokken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitlokken
lokt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitlokken
lokte uit verleden tijd uitlokken
lokten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitlokken
uitlok subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitlokken
uitlokke with-subordinate-clause uitlokken
uitlokkend onvoltooid deelwoord uitlokken
uitlokkende woordvorm uitlokken
uitlokt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitlokken
uitlokte subordinate-clause, verleden tijd uitlokken
uitlokten subordinate-clause, verleden tijd uitlokken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitlokken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitlokken

Hoe spreek je uitlokken uit?
De uitspraak van uitlokken is: /ˈœytlɔkə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uitlokken?
Uitlokken is een werkwoord. Het woord betekent: verleiden, veroorzaken, iets of iemand iets laten doen.
Hoe vervoeg je uitlokken?
Je vervoegt uitlokken als volgt: het voltooid deelwoord is uitgelokt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitlokken is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. O 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitlokken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. L 3
  5. O 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitlokken in het kort

uitlokken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitlokken zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitlokken bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitlokken: verleiden, veroorzaken, iets of iemand iets laten doen
Deel uitlokken — standaardnederlands.nl