Naar de inhoud

uitlenen

iets voor tijdelijk gebruik aan een ander afstaan

uitlenen

werkwoord

Betekenis

  1. iets voor tijdelijk gebruik aan een ander afstaan

Vervoeging van uitlenen

uitlenenhele werkwoord — leende uitverleden tijd enkelvoud — leenden uitverleden tijd meervoud — uitgeleendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik leen uit leende uit
jij leent uit leende uit
hij, zij, het leent uit leende uit
wij lenen uit leenden uit
jullie lenen uit leenden uit
zij lenen uit leenden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgeleend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgeleend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgeleend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgeleend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgeleend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgeleend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgeleend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgeleend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgeleend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeleend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeleend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeleend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeleend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeleend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgeleend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeleend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leen uit gebiedende wijs
leende uit verleden tijd
te hebben uitgeleend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitlenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te lenen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen lenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal lenen bijzin, toekomende tijd
uit zou lenen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden lenen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt lenen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen lenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen lenen bijzin, toekomende tijd
uit zult lenen bijzin, toekomende tijd
uitgeleend verleden tijd, deelwoord
uitgeleend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeleend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeleend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeleend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeleend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeleend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeleend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeleend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeleend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeleend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitleen bijzin, tegenwoordige tijd
uitleende bijzin, verleden tijd
uitleenden bijzin, verleden tijd
uitleent bijzin, tegenwoordige tijd
uitlenend onvoltooid, deelwoord
waart uitgeleend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeleend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgeleend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeleend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgeleend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgeleend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgeleend voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgeleend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgeleend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgeleend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgeleend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgeleend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgeleend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgeleend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgeleend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgeleend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgeleend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgeleend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgeleend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgeleend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgeleend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeleend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeleend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgeleend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeleend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgeleend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeleend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitlenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitlenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitlenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitlenen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgeleend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgeleend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeleend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeleend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgeleend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeleend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgeleend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeleend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeleend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeleend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitlenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitlenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitlenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitlenen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitlenen uit zou(dt) lenen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeleend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeleend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeleend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeleend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgeleend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgeleend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeleend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeleend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeleend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitlenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitlenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitlenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitlenen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeleend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeleend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeleend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitlenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitlenen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgeleend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeleend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeleend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeleend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgeleend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgeleend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeleend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeleend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeleend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitlenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitlenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitlenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitlenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitlenen bijzin, toekomende tijd
zult uitgeleend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en lenen ww

Woordfamilie van uitlenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
leen uit gebiedende wijs uitlenen
leende uit verleden tijd uitlenen
leenden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitlenen
leent uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitlenen
lene uit woordvorm uitlenen
lenen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitlenen
uitgeleend voltooid deelwoord uitlenen
uitgeleende woordvorm uitlenen
uitleen subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitlenen
uitleende subordinate-clause, verleden tijd uitlenen
uitleenden subordinate-clause, verleden tijd uitlenen
uitleent subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitlenen
uitlene with-subordinate-clause uitlenen
uitlenend onvoltooid deelwoord uitlenen
uitlenende woordvorm uitlenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitlenen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitlenen

Wat is de betekenis van uitlenen?
Uitlenen is een werkwoord. De betekenis is: iets voor tijdelijk gebruik aan een ander afstaan.
Hoe vervoeg ik uitlenen?
Zo vervoeg je uitlenen zo: het voltooid deelwoord is uitgeleend. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitlenen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitlenen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 zonder bonus
  10. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitlenen in het kort

uitlenen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitlenen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitlenen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitlenen: iets voor tijdelijk gebruik aan een ander afstaan
Deel uitlenen — standaardnederlands.nl