Naar de inhoud

uitlekken

druppelsgewijs uit iets vallen

uitlekken

werkwoord

Betekenis

  1. druppelsgewijs uit iets vallen
  2. overdrachtelijk: van informatie ongewenst openlijk bekend raken
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van uitlekken

uitlekkenhele werkwoord — lekte uitverleden tijd enkelvoud — lekten uitverleden tijd meervoud — uitgelektvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lek uit lekte uit
jij lekt uit lekte uit
hij, zij, het lekt uit lekte uit
wij lekken uit lekten uit
jullie lekken uit lekten uit
zij lekken uit lekten uit
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben uitgelekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgelekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is uitgelekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgelekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
lek uit gebiedende wijs
lekte uit verleden tijd
te zijn uitgelekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitlekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te lekken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen lekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal lekken bijzin, toekomende tijd
uit zou lekken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden lekken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt lekken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen lekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen lekken bijzin, toekomende tijd
uit zult lekken bijzin, toekomende tijd
uitgelekt verleden tijd, deelwoord
uitgelekt te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelekt zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitlek bijzin, tegenwoordige tijd
uitlekkend onvoltooid, deelwoord
uitlekt bijzin, tegenwoordige tijd
uitlekte bijzin, verleden tijd
uitlekten bijzin, verleden tijd
waart uitgelekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgelekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgelekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgelekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgelekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal uitgelekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgelekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitlekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitlekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitlekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitlekken bijzin, toekomende tijd
zijn uitgelekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgelekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgelekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgelekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgelekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgelekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitlekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitlekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitlekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitlekken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitlekken uit zou(dt) lekken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgelekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitlekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitlekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitlekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitlekken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgelekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitlekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitlekken bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgelekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitlekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitlekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitlekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitlekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitlekken bijzin, toekomende tijd
zult uitgelekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitlekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitlekken bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitlekken uit zult/zal lekken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en lekken ww

Woordfamilie van uitlekken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
lek uit gebiedende wijs uitlekken
lekke uit woordvorm uitlekken
lekken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitlekken
lekt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitlekken
lekte uit verleden tijd uitlekken
lekten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitlekken
uitgelekt voltooid deelwoord uitlekken
uitgelekte woordvorm uitlekken
uitlek subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitlekken
uitlekke with-subordinate-clause uitlekken
uitlekkend onvoltooid deelwoord uitlekken
uitlekkende woordvorm uitlekken
uitlekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitlekken
uitlekte subordinate-clause, verleden tijd uitlekken
uitlekten subordinate-clause, verleden tijd uitlekken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitlekken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitlekken

Wat betekent uitlekken?
Uitlekken is een werkwoord. Het woord betekent: druppelsgewijs uit iets vallen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitlekken?
Je vervoegt uitlekken als volgt: het voltooid deelwoord is uitgelekt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitlekken is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. E 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitlekken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. L 3
  5. E 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitlekken in het kort

uitlekken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitlekken zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitlekken bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitlekken: druppelsgewijs uit iets vallen
Deel uitlekken — standaardnederlands.nl