Naar de inhoud

uitkopen

door geld afkopen, iemand geld betalen om daardoor bepaalde rechten te verwerven of van bepaalde verplichtingen ontslagen te zijn, bijvoorbeeld als aandeelhouder iemands rechten als deelhebber afkopen

uitkopen is meer dan één woord

uitkopen

werkwoord, zelfstandig naamwoord /œytkopə(n)/

Betekenis

  1. door geld afkopen, iemand geld betalen om daardoor bepaalde rechten te verwerven of van bepaalde verplichtingen ontslagen te zijn, bijvoorbeeld als aandeelhouder iemands rechten als deelhebber afkopen
  2. (een winkel)) geheel leegkoopen
  3. (een voorraad) geheel opkoopen
  4. zich vrijkopen, afkopen

Hoe spreek je uitkopen uit?

/œytkopən/

Uitkopen bestaat uit drie lettergrepen.

De tekens in /œytkopən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
k kat
o boot
p pak
ə de
n nek

werkwoord

  1. ) geheel leegkoopen transitive
  2. geheel opkoopen transitive
  3. iemand geld betalen zodat hij zijn bedrijf stopt

Vervoeging van uitkopen

uitkopenhele werkwoord — kocht uitverleden tijd enkelvoud — kochten uitverleden tijd meervoud — uitgekochtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik koop uit kocht uit
jij koopt uit kocht uit
hij, zij, het koopt uit kocht uit
wij kopen uit kochten uit
jullie kopen uit kochten uit
zij kopen uit kochten uit
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgekocht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgekocht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgekocht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgekocht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgekocht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgekocht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgekocht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgekocht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgekocht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgekocht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgekocht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgekocht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgekocht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kocht uit verleden tijd
koop u/je uit, koopt je uit gebiedende wijs
koop uit gebiedende wijs
te hebben uitgekocht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitkopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te kopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen kopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal kopen bijzin, toekomende tijd
uit zou kopen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden kopen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt kopen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen kopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen kopen bijzin, toekomende tijd
uit zult kopen bijzin, toekomende tijd
uitgekocht verleden tijd, deelwoord
uitgekocht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgekocht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgekocht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgekocht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgekocht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgekocht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgekocht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgekocht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgekocht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgekocht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitkocht bijzin, verleden tijd
uitkochten bijzin, verleden tijd
uitkoop bijzin, tegenwoordige tijd
uitkoopt bijzin, tegenwoordige tijd
uitkopend onvoltooid, deelwoord
waart uitgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgekocht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgekocht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgekocht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgekocht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me uitkopen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal uitgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgekocht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgekocht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitkopen bijzin, toekomende tijd
zal zich uitkopen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je uitkopen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich uitgekocht hebben verleden tijd
zich uitkopend onvoltooid, deelwoord
zijn uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitkopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitkopen uit zou(dt) kopen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitkopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitkopen bijzin, voorwaardelijk
zullen je uitkopen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons uitkopen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen uitgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgekocht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon

Vervoeging van uitkopen

uitkopenhele werkwoord — kocht uitverleden tijd enkelvoud — kochten uitverleden tijd meervoud — uitgekochtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik koop uit kocht uit
jij koopt uit kocht uit
hij, zij, het koopt uit kocht uit
wij kopen uit kochten uit
jullie kopen uit kochten uit
zij kopen uit kochten uit
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgekocht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgekocht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgekocht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgekocht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgekocht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgekocht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgekocht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgekocht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgekocht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgekocht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgekocht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgekocht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgekocht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kocht uit verleden tijd
koop u/je uit, koopt je uit gebiedende wijs
koop uit gebiedende wijs
te hebben uitgekocht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitkopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te kopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen kopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal kopen bijzin, toekomende tijd
uit zou kopen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden kopen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt kopen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen kopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen kopen bijzin, toekomende tijd
uit zult kopen bijzin, toekomende tijd
uitgekocht verleden tijd, deelwoord
uitgekocht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgekocht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgekocht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgekocht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgekocht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgekocht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgekocht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgekocht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgekocht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgekocht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitkocht bijzin, verleden tijd
uitkochten bijzin, verleden tijd
uitkoop bijzin, tegenwoordige tijd
uitkoopt bijzin, tegenwoordige tijd
uitkopend onvoltooid, deelwoord
waart uitgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgekocht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgekocht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgekocht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgekocht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me uitkopen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal uitgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgekocht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgekocht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitkopen bijzin, toekomende tijd
zal zich uitkopen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je uitkopen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich uitgekocht hebben verleden tijd
zich uitkopend onvoltooid, deelwoord
zijn uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitkopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitkopen uit zou(dt) kopen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitkopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitkopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitkopen bijzin, voorwaardelijk
zullen je uitkopen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons uitkopen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen uitgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgekocht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord uitkoop

Herkomst

samenstelling van uit bw en kopen ww

Woordfamilie van uitkopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kocht uit verleden tijd uitkopen
kochten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitkopen
koop uit gebiedende wijs uitkopen
koopt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitkopen
kope uit woordvorm uitkopen
kopen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitkopen
uitgekocht voltooid deelwoord uitkopen
uitgekochte woordvorm uitkopen
uitkocht subordinate-clause, verleden tijd uitkopen
uitkochten subordinate-clause, verleden tijd uitkopen
uitkoopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitkopen
uitkope with-subordinate-clause uitkopen
uitkopend onvoltooid deelwoord uitkopen
uitkopende woordvorm uitkopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitkopen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over uitkopen

Hoe spreek ik uitkopen uit?
Zo spreek je uitkopen uit: /œytkopə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van uitkopen?
Uitkopen is een werkwoord. De betekenis is: door geld afkopen, iemand geld betalen om daardoor bepaalde rechten te verwerven of van bepaalde verplichtingen ontslagen te zijn, bijvoorbeeld als aandeelhouder iemands rechten als deelhebber afkopen. In totaal staan er 7 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitkopen?
Zo vervoeg je uitkopen zo: het voltooid deelwoord is uitgekocht. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitkopen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. K 3
  5. O 1
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitkopen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. K 3
  5. O 1
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitkopen in het kort

uitkopen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 7 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitkopen staan er 99 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitkopen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitkopen: door geld afkopen, iemand geld betalen om daardoor bepaalde rechten te verwerven of van bepaalde verplichtingen ontslagen te zijn, bijvoorbeeld als aandeelhouder iemands rechten als deelhebber afkopen
Deel uitkopen — standaardnederlands.nl