Naar de inhoud

uitkleden

zich ~ de eigen kleding afnemen

uitkleden

werkwoord ˈœytkledə(n)

Betekenis

  1. zich ~ de eigen kleding afnemen
  2. van kleding ontdoen
  3. overdrachtelijk iemand financieel zwaar benadelen
  4. tweede betekenisomschrijving
  5. enz.

Hoe spreek je uitkleden uit?

/ˈœytkledən/

Uitkleden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytkledən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
k kat
l land
e veel
d dak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitkleden

uitkledenhele werkwoord — kleedde uitverleden tijd enkelvoud — kleedden uitverleden tijd meervoud — uitgekleedvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kleed uit kleedde uit
jij kleedt uit kleedde uit
hij, zij, het kleedt uit kleedde uit
wij kleden uit kleedden uit
jullie kleden uit kleedden uit
zij kleden uit kleedden uit
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgekleed impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgekleed impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgekleed impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgekleed impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgekleed worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgekleed zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgekleed worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgekleed zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgekleed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgekleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgekleed voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgekleed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgekleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgekleed voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgekleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgekleed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kleed u/je uit, kleedt je uit gebiedende wijs
kleed uit gebiedende wijs
kleedde uit verleden tijd
te hebben uitgekleed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitkleden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te kleden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen kleden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal kleden bijzin, toekomende tijd
uit zou kleden bijzin, voorwaardelijk
uit zouden kleden bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt kleden bijzin, voorwaardelijk
uit zullen kleden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen kleden bijzin, toekomende tijd
uit zult kleden bijzin, toekomende tijd
uitgekleed verleden tijd, deelwoord
uitgekleed te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgekleed te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgekleed te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgekleed te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgekleed te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgekleed worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgekleed zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgekleed zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgekleed zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgekleed zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitkledend onvoltooid, deelwoord
uitkleed bijzin, tegenwoordige tijd
uitkleedde bijzin, verleden tijd
uitkleedden bijzin, verleden tijd
uitkleedt bijzin, tegenwoordige tijd
waart uitgekleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgekleed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgekleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgekleed voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgekleed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgekleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgekleed voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgekleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgekleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgekleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgekleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgekleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgekleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgekleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgekleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgekleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgekleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgekleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgekleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgekleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me uitkleden eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal uitgekleed hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgekleed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgekleed hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgekleed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgekleed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgekleed zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgekleed zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitkleden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitkleden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitkleden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitkleden bijzin, toekomende tijd
zal zich uitkleden derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je uitkleden tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich uitgekleed hebben verleden tijd
zich uitkledend onvoltooid, deelwoord
zijn uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgekleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgekleed hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgekleed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgekleed hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgekleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgekleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgekleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgekleed zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgekleed zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgekleed zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitkleden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitkleden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitkleden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitkleden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitkleden uit zou(dt) kleden bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgekleed hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgekleed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgekleed hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgekleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgekleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgekleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgekleed zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgekleed zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgekleed zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitkleden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitkleden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitkleden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitkleden bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgekleed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgekleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgekleed zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitkleden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitkleden bijzin, voorwaardelijk
zullen je uitkleden tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons uitkleden eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen uitgekleed hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgekleed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgekleed hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgekleed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgekleed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgekleed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgekleed zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en kleden ww

Woordfamilie van uitkleden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
klede uit woordvorm uitkleden
kleden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitkleden
kleed uit gebiedende wijs uitkleden
kleedde uit verleden tijd uitkleden
kleedden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitkleden
kleedt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitkleden
uitgeklede woordvorm uitkleden
uitgekleed voltooid deelwoord uitkleden
uitklede with-subordinate-clause uitkleden
uitkledend onvoltooid deelwoord uitkleden
uitkledende woordvorm uitkleden
uitkleed subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitkleden
uitkleedde subordinate-clause, verleden tijd uitkleden
uitkleedden subordinate-clause, verleden tijd uitkleden
uitkleedt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitkleden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitkleden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitkleden

Hoe spreek ik uitkleden uit?
Zo spreek je uitkleden uit: /ˈœytkledə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitkleden?
Uitkleden is een werkwoord. De betekenis is: zich ~ de eigen kleding afnemen. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitkleden?
Zo vervoeg je uitkleden zo: het voltooid deelwoord is uitgekleed. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitkleden is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. K 3
  5. L 3
  6. E 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitkleden levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. K 3
  5. L 3
  6. E 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitkleden in het kort

uitkleden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitkleden staan er 99 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitkleden bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitkleden: zich ~ de eigen kleding afnemen
Deel uitkleden — standaardnederlands.nl