uitkijken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈœytkɛikə(n)Betekenis
- voorzichtig zijn
- ~ naar: met verlangen op iets wachten
- ~ op: uitzicht bieden op
Hoe spreek je uitkijken uit?
/ˈœytkɛikən/
Uitkijken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| k | kat |
| ɛi | trein |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitkijken
uitkijkenhele werkwoord — keek uitverleden tijd enkelvoud — keken uitverleden tijd meervoud — uitgekekenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kijk uit | keek uit |
| jij | kijkt uit | keek uit |
| hij, zij, het | kijkt uit | keek uit |
| wij | kijken uit | keken uit |
| jullie | kijken uit | keken uit |
| zij | kijken uit | keken uit |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgekeken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgekeken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgekeken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgekeken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgekeken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| keek uit | verleden tijd |
| kijk uit | gebiedende wijs |
| te hebben uitgekeken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitkijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te kijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen kijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal kijken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen kijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen kijken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult kijken | bijzin, toekomende tijd |
| uitgekeken | verleden tijd, deelwoord |
| uitgekeken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgekeken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitkeek | bijzin, verleden tijd |
| uitkeken | bijzin, verleden tijd |
| uitkijk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitkijkend | onvoltooid, deelwoord |
| uitkijkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal uitgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitkijken | bijzin, toekomende tijd |
| zou uitgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitkijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitkijken uit zou(dt) kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitkijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitkijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitkijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitkijken | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitkijken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitkijken uit zult/zal kijken | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord uitkijk
Herkomst
samenstelling van uit bw en kijken ww
Woordfamilie van uitkijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| keek uit | verleden tijd | uitkijken |
| keken uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitkijken |
| kijk uit | gebiedende wijs | uitkijken |
| kijke uit | woordvorm | uitkijken |
| kijken uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitkijken |
| kijkt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitkijken |
| uitgekeken | voltooid deelwoord | uitkijken |
| uitkeek | subordinate-clause, verleden tijd | uitkijken |
| uitkeken | subordinate-clause, verleden tijd | uitkijken |
| uitkijke | with-subordinate-clause | uitkijken |
| uitkijkend | onvoltooid deelwoord | uitkijken |
| uitkijkende | woordvorm | uitkijken |
| uitkijkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitkijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitkijken zijn vastgelegd.