uithuilen
werkwoord ˈœythœylə(n)Betekenis
- zolang huilen dat het ergste verdriet over is
Hoe spreek je uithuilen uit?
/ˈœythœylən/
Uithuilen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| h | hoed |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uithuilen
uithuilenhele werkwoord — huilde uitverleden tijd enkelvoud — huilden uitverleden tijd meervoud — uitgehuildvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | huil uit | huilde uit |
| jij | huilt uit | huilde uit |
| hij, zij, het | huilt uit | huilde uit |
| wij | huilen uit | huilden uit |
| jullie | huilen uit | huilden uit |
| zij | huilen uit | huilden uit |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgehuild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgehuild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgehuild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgehuild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgehuild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgehuild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgehuild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgehuild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgehuild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgehuild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgehuild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgehuild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgehuild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgehuild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgehuild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| huil uit | gebiedende wijs |
| huilde uit | verleden tijd |
| te hebben uitgehuild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uithuilen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te huilen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen huilen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal huilen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou huilen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden huilen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt huilen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen huilen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen huilen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult huilen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgehuild | verleden tijd, deelwoord |
| uitgehuild te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgehuild zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uithuil | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uithuilde | bijzin, verleden tijd |
| uithuilden | bijzin, verleden tijd |
| uithuilend | onvoltooid, deelwoord |
| uithuilt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal uitgehuild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgehuild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgehuild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uithuilen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uithuilen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uithuilen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uithuilen | bijzin, toekomende tijd |
| zou uitgehuild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgehuild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgehuild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uithuilen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uithuilen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uithuilen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uithuilen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uithuilen uit zou(dt) huilen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgehuild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgehuild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgehuild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uithuilen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uithuilen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uithuilen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uithuilen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgehuild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uithuilen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uithuilen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgehuild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgehuild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgehuild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uithuilen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uithuilen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uithuilen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uithuilen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uithuilen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgehuild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uithuilen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uithuilen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uithuilen uit zult/zal huilen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit en huilen
Woordfamilie van uithuilen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| huil uit | gebiedende wijs | uithuilen |
| huilde uit | verleden tijd | uithuilen |
| huilden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uithuilen |
| huile uit | woordvorm | uithuilen |
| huilen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uithuilen |
| huilt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uithuilen |
| uitgehuild | voltooid deelwoord | uithuilen |
| uithuil | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uithuilen |
| uithuilde | subordinate-clause, verleden tijd | uithuilen |
| uithuilden | subordinate-clause, verleden tijd | uithuilen |
| uithuile | with-subordinate-clause | uithuilen |
| uithuilend | onvoltooid deelwoord | uithuilen |
| uithuilende | woordvorm | uithuilen |
| uithuilt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uithuilen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uithuilen zijn vastgelegd.