uithalen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈœythalə(n)Betekenis
- (iets ~) een opmerkelijke daad plegen
- (iets ~) een brei- of haakwerkje ontdoen
- (~ naar) een slag doen, al of niet overdrachtelijk
Hoe spreek je uithalen uit?
/ˈœythalən/
Uithalen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| h | hoed |
| a | maan |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een opmerkelijke daad plegen transitive
- een brei- of haakwerkje ontdoen transitive
- een slag doen, al of niet overdrachtelijk unergative
- iets nemen of ontvangen
- leeghalen transitive
Vervoeging van uithalen
uithalenhele werkwoord — haalde uitverleden tijd enkelvoud — haalden uitverleden tijd meervoud — uitgehaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | haal uit | haalde uit |
| jij | haalt uit | haalde uit |
| hij, zij, het | haalt uit | haalde uit |
| wij | halen uit | haalden uit |
| jullie | halen uit | haalden uit |
| zij | halen uit | haalden uit |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is uitgehaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgehaald | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgehaald | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgehaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgehaald worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgehaald zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgehaald worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgehaald zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| haal uit | gebiedende wijs |
| haalde uit | verleden tijd |
| had uitgehaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgehaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgehaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgehaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgehaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgehaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uithalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te halen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen halen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal halen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou halen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden halen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt halen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen halen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen halen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult halen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgehaald | verleden tijd, deelwoord |
| uitgehaald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgehaald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uithaal | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uithaalde | bijzin, verleden tijd |
| uithaalden | bijzin, verleden tijd |
| uithaalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uithalend | onvoltooid, deelwoord |
| zal uitgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uithalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uithalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uithalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uithalen | bijzin, toekomende tijd |
| zou uitgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uithalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uithalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uithalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uithalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uithalen uit zou(dt) halen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uithalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uithalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uithalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uithalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uithalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uithalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uithalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uithalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uithalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uithalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uithalen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uithalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uithalen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uithalen uit zult/zal halen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord uithaal
Herkomst
samenstelling van uit bw en halen ww
Woordfamilie van uithalen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| haal uit | gebiedende wijs | uithalen |
| haalde uit | verleden tijd | uithalen |
| haalden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uithalen |
| haalt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uithalen |
| hale uit | woordvorm | uithalen |
| halen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uithalen |
| uitgehaald | voltooid deelwoord | uithalen |
| uitgehaalde | woordvorm | uithalen |
| uithaalde | subordinate-clause, verleden tijd | uithalen |
| uithaalden | subordinate-clause, verleden tijd | uithalen |
| uithaalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uithalen |
| uithale | with-subordinate-clause | uithalen |
| uithalend | onvoltooid deelwoord | uithalen |
| uithalende | woordvorm | uithalen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uithalen zijn vastgelegd.