uitgeven
werkwoordBetekenis
- geld ~: financiële middelen aanspreken
- een geschrift in drukvorm verspreiden
werkwoord
- zich ~ voor: zich voordoen als
Vervoeging van uitgeven
uitgevenhele werkwoord — gaf uitverleden tijd enkelvoud — gaven uitverleden tijd meervoud — uitgegevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | geef uit | gaf uit |
| jij | geeft uit | gaaft uit |
| hij, zij, het | geeft uit | gaf uit |
| wij | geven uit | gaven uit |
| jullie | geven uit | gaven uit |
| zij | geven uit | gaven uit |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgegeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgegeven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgegeven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgegeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgegeven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgegeven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgegeven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgegeven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gaf uit | verleden tijd |
| geef uit | gebiedende wijs |
| had uitgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te geven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal geven | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou geven | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden geven | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt geven | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen geven | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult geven | bijzin, toekomende tijd |
| uitgaaft | bijzin, verleden tijd |
| uitgaf | bijzin, verleden tijd |
| uitgaven | bijzin, verleden tijd |
| uitgeef | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitgeeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitgegeven | verleden tijd, deelwoord |
| uitgegeven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgegeven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgegeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgegeven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgegeven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgegeven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgegeven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgegeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgegeven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgegeven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgevend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uitgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitgeven uit zou(dt) geven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitgeven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
In de betekenis van ‘publiceren’ voor het eerst aangetroffen in 1537
Woordfamilie van uitgeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaf uit | verleden tijd | uitgeven |
| gaven uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitgeven |
| geef uit | gebiedende wijs | uitgeven |
| geeft uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitgeven |
| geve uit | woordvorm | uitgeven |
| geven uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitgeven |
| uitgaf | subordinate-clause, verleden tijd | uitgeven |
| uitgeef | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitgeven |
| uitgeeft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitgeven |
| uitgegeven | voltooid deelwoord | uitgeven |
| uitgeve | with-subordinate-clause | uitgeven |
| uitgevend | onvoltooid deelwoord | uitgeven |
| uitgevende | woordvorm | uitgeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitgeven zijn vastgelegd.