Naar de inhoud

uitgeven

geld ~: financiële middelen aanspreken

uitgeven

werkwoord

Betekenis

  1. geld ~: financiële middelen aanspreken
  2. een geschrift in drukvorm verspreiden

werkwoord

  1. zich ~ voor: zich voordoen als

Vervoeging van uitgeven

uitgevenhele werkwoord — gaf uitverleden tijd enkelvoud — gaven uitverleden tijd meervoud — uitgegevenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik geef uit gaf uit
jij geeft uit gaaft uit
hij, zij, het geeft uit gaf uit
wij geven uit gaven uit
jullie geven uit gaven uit
zij geven uit gaven uit
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgegeven impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgegeven impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgegeven impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgegeven impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgegeven worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgegeven zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgegeven worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgegeven zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gaf uit verleden tijd
geef uit gebiedende wijs
had uitgegeven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgegeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgegeven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgegeven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgegeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgegeven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgegeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgegeven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgegeven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitgeven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te geven actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen geven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal geven bijzin, toekomende tijd
uit zou geven bijzin, voorwaardelijk
uit zouden geven bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt geven bijzin, voorwaardelijk
uit zullen geven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen geven bijzin, toekomende tijd
uit zult geven bijzin, toekomende tijd
uitgaaft bijzin, verleden tijd
uitgaf bijzin, verleden tijd
uitgaven bijzin, verleden tijd
uitgeef bijzin, tegenwoordige tijd
uitgeeft bijzin, tegenwoordige tijd
uitgegeven verleden tijd, deelwoord
uitgegeven te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgegeven te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgegeven te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgegeven te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgegeven te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgegeven worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgegeven zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgegeven zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgegeven zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgegeven zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgevend onvoltooid, deelwoord
waart uitgegeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgegeven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgegeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgegeven voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgegeven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgegeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgegeven voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgegeven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgegeven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgegeven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgegeven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgegeven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgegeven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgegeven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgegeven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgegeven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgegeven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgegeven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgegeven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgegeven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgegeven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgegeven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgegeven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgegeven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgegeven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgegeven zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgegeven zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitgeven bijzin, toekomende tijd
zijn uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgegeven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgegeven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgegeven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgegeven zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgegeven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgegeven zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitgeven bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitgeven uit zou(dt) geven bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgegeven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgegeven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgegeven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgegeven zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgegeven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgegeven zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitgeven bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgegeven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgegeven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitgeven bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgegeven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgegeven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgegeven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgegeven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgegeven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgegeven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgegeven zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgegeven zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgegeven zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitgeven bijzin, toekomende tijd

Herkomst

In de betekenis van ‘publiceren’ voor het eerst aangetroffen in 1537

Woordfamilie van uitgeven

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gaf uit verleden tijd uitgeven
gaven uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitgeven
geef uit gebiedende wijs uitgeven
geeft uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitgeven
geve uit woordvorm uitgeven
geven uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitgeven
uitgaf subordinate-clause, verleden tijd uitgeven
uitgeef subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitgeven
uitgeeft subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitgeven
uitgegeven voltooid deelwoord uitgeven
uitgeve with-subordinate-clause uitgeven
uitgevend onvoltooid deelwoord uitgeven
uitgevende woordvorm uitgeven

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitgeven zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over uitgeven

Wat is de betekenis van uitgeven?
Uitgeven is een werkwoord. De betekenis is: geld ~: financiële middelen aanspreken. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitgeven?
Zo vervoeg je uitgeven zo: het voltooid deelwoord is uitgegeven. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitgeven is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. G 3
  5. E 1
  6. V 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitgeven levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. G 3
  5. E 1
  6. V 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitgeven in het kort

uitgeven staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitgeven staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitgeven bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitgeven: geld ~: financiële middelen aanspreken
Deel uitgeven — standaardnederlands.nl