uitgeteld
werkwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- van een vrouw dat ze zwanger is
- helemaal uitgeput en tot niets meer instaat
Woordvorm
- voltooid deelwoord van uittellen
Vervoeging van uitgeteld
uitgeteldhele werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
- helemaal uitgeput en tot niets meer in staat
Herkomst
*vervoeging van uittellen: voltooid deelwoord, op te vatten als samenstelling van uit bw en geteld ww
Woordfamilie van uitgeteld
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgetelds | woordvorm | uitgeteld |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitgeteld zijn vastgelegd.