uitdunnen
werkwoord ˈœydʏnə(n)Betekenis
- geleidelijk minder bezet raken
- dunner bezet maken
Hoe spreek je uitdunnen uit?
/ˈœydʏnən/
Uitdunnen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| d | dak |
| ʏ | put |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitdunnen
uitdunnenhele werkwoord — dunde uitverleden tijd enkelvoud — dunden uitverleden tijd meervoud — uitgedundvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dun uit | dunde uit |
| jij | dunt uit | dunde uit |
| hij, zij, het | dunt uit | dunde uit |
| wij | dunnen uit | dunden uit |
| jullie | dunnen uit | dunden uit |
| zij | dunnen uit | dunden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dun uit | gebiedende wijs |
| dunde uit | verleden tijd |
| er is uitgedund | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgedund | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgedund | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgedund | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgedund worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgedund zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgedund worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgedund zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgedund | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgedund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgedund | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgedund | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgedund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgedund | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgedund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgedund | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgedund | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitdunnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te dunnen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen dunnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal dunnen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou dunnen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden dunnen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt dunnen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen dunnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen dunnen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult dunnen | bijzin, toekomende tijd |
| uitdun | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitdunde | bijzin, verleden tijd |
| uitdunden | bijzin, verleden tijd |
| uitdunnend | onvoltooid, deelwoord |
| uitdunt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitgedund | verleden tijd, deelwoord |
| uitgedund te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgedund te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgedund te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgedund te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgedund te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgedund worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgedund zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgedund zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgedund zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgedund zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart uitgedund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgedund | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgedund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgedund | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgedund | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgedund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgedund | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgedund | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgedund | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgedund | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgedund | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgedund | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgedund | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgedund | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgedund | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgedund | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgedund | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgedund | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgedund | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgedund | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitdunnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitdunnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitdunnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitdunnen | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgedund hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgedund hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgedund hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgedund worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgedund worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgedund zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgedund zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgedund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitdunnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitdunnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitdunnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitdunnen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgedund hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgedund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgedund hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgedund worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgedund worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgedund worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgedund zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgedund zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgedund zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitdunnen uit zou(dt) dunnen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitdunnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitdunnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitdunnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitdunnen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgedund hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgedund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgedund hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgedund worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgedund worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgedund worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgedund zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgedund zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgedund zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitdunnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitdunnen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgedund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgedund worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgedund zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitdunnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitdunnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitdunnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitdunnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitdunnen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgedund hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgedund hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgedund hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgedund worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgedund worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgedund worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgedund zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgedund zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgedund zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitdunnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit en dunnen
Woordfamilie van uitdunnen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dun uit | gebiedende wijs | uitdunnen |
| dunde uit | verleden tijd | uitdunnen |
| dunden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitdunnen |
| dunne uit | woordvorm | uitdunnen |
| dunnen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitdunnen |
| dunt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitdunnen |
| uitdun | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitdunnen |
| uitdunde | subordinate-clause, verleden tijd | uitdunnen |
| uitdunden | subordinate-clause, verleden tijd | uitdunnen |
| uitdunne | with-subordinate-clause | uitdunnen |
| uitdunnend | onvoltooid deelwoord | uitdunnen |
| uitdunnende | woordvorm | uitdunnen |
| uitdunt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitdunnen |
| uitgedund | voltooid deelwoord | uitdunnen |
| uitgedunde | woordvorm | uitdunnen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitdunnen zijn vastgelegd.