uitdraaien
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈœydrajə(n)Betekenis
- ~ op: uiteindelijk als resultaat hebben
- door draaien iets ergens uit halen
- stoppen met draaien
- door draaien aan een schakelaar uitdoen
- met een printer afdrukken op papier
Hoe spreek je uitdraaien uit?
/ˈœydrajən/
Uitdraaien bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| d | dak |
| r | rood |
| a | maan |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitdraaien
uitdraaienhele werkwoord — draaide uitverleden tijd enkelvoud — draaiden uitverleden tijd meervoud — uitgedraaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | draai uit | draaide uit |
| jij | draait uit | draaide uit |
| hij, zij, het | draait uit | draaide uit |
| wij | draaien uit | draaiden uit |
| jullie | draaien uit | draaiden uit |
| zij | draaien uit | draaiden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| draai uit | gebiedende wijs |
| draaide uit | verleden tijd |
| er is uitgedraaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgedraaid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgedraaid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgedraaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgedraaid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgedraaid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgedraaid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgedraaid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgedraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgedraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgedraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgedraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgedraaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgedraaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitdraaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te draaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen draaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal draaien | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen draaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen draaien | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult draaien | bijzin, toekomende tijd |
| uitdraai | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitdraaide | bijzin, verleden tijd |
| uitdraaiden | bijzin, verleden tijd |
| uitdraaiend | onvoltooid, deelwoord |
| uitdraait | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitgedraaid | verleden tijd, deelwoord |
| uitgedraaid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgedraaid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgedraaid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgedraaid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgedraaid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgedraaid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgedraaid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgedraaid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgedraaid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgedraaid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart uitgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgedraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgedraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgedraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgedraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitdraaien | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgedraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgedraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitdraaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitdraaien uit zou(dt) draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitdraaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitdraaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitdraaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitdraaien | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgedraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgedraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgedraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord uitdraai
Herkomst
samenstelling van uit bw en draaien ww
Woordfamilie van uitdraaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| draai uit | gebiedende wijs | uitdraaien |
| draaide uit | verleden tijd | uitdraaien |
| draaiden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitdraaien |
| draaie uit | woordvorm | uitdraaien |
| draaien uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitdraaien |
| draait uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitdraaien |
| uitdraaide | subordinate-clause, verleden tijd | uitdraaien |
| uitdraaiden | subordinate-clause, verleden tijd | uitdraaien |
| uitdraaie | with-subordinate-clause | uitdraaien |
| uitdraaiend | onvoltooid deelwoord | uitdraaien |
| uitdraaiende | woordvorm | uitdraaien |
| uitdraait | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitdraaien |
| uitgedraaid | voltooid deelwoord | uitdraaien |
| uitgedraaide | woordvorm | uitdraaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitdraaien zijn vastgelegd.