Naar de inhoud

uitdraaien

~ op: uiteindelijk als resultaat hebben

uitdraaien is meer dan één woord

uitdraaien

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈœydrajə(n)

Betekenis

  1. ~ op: uiteindelijk als resultaat hebben
  2. door draaien iets ergens uit halen
  3. stoppen met draaien
  4. door draaien aan een schakelaar uitdoen
  5. met een printer afdrukken op papier

Hoe spreek je uitdraaien uit?

/ˈœydrajən/

Uitdraaien bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœydrajən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
d dak
r rood
a maan
j ja
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitdraaien

uitdraaienhele werkwoord — draaide uitverleden tijd enkelvoud — draaiden uitverleden tijd meervoud — uitgedraaidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik draai uit draaide uit
jij draait uit draaide uit
hij, zij, het draait uit draaide uit
wij draaien uit draaiden uit
jullie draaien uit draaiden uit
zij draaien uit draaiden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
draai uit gebiedende wijs
draaide uit verleden tijd
er is uitgedraaid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgedraaid impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgedraaid impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgedraaid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgedraaid worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgedraaid zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgedraaid worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgedraaid zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgedraaid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgedraaid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgedraaid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgedraaid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgedraaid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgedraaid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitdraaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te draaien actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen draaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal draaien bijzin, toekomende tijd
uit zou draaien bijzin, voorwaardelijk
uit zouden draaien bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt draaien bijzin, voorwaardelijk
uit zullen draaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen draaien bijzin, toekomende tijd
uit zult draaien bijzin, toekomende tijd
uitdraai bijzin, tegenwoordige tijd
uitdraaide bijzin, verleden tijd
uitdraaiden bijzin, verleden tijd
uitdraaiend onvoltooid, deelwoord
uitdraait bijzin, tegenwoordige tijd
uitgedraaid verleden tijd, deelwoord
uitgedraaid te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgedraaid te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgedraaid te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgedraaid te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgedraaid te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgedraaid worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgedraaid zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgedraaid zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgedraaid zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgedraaid zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgedraaid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgedraaid voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgedraaid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgedraaid voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitdraaien bijzin, toekomende tijd
zal uitgedraaid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgedraaid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgedraaid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgedraaid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgedraaid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitdraaien bijzin, voorwaardelijk
zou uitgedraaid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgedraaid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgedraaid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitdraaien uit zou(dt) draaien bijzin, voorwaardelijk
zouden uitdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitdraaien bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgedraaid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgedraaid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgedraaid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitdraaien bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgedraaid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitdraaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitdraaien bijzin, toekomende tijd
zullen uitgedraaid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgedraaid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgedraaid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgedraaid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgedraaid zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgedraaid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord uitdraai

Herkomst

samenstelling van uit bw en draaien ww

Woordfamilie van uitdraaien

Woordvorm Relatie Afgeleid van
draai uit gebiedende wijs uitdraaien
draaide uit verleden tijd uitdraaien
draaiden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitdraaien
draaie uit woordvorm uitdraaien
draaien uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitdraaien
draait uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitdraaien
uitdraaide subordinate-clause, verleden tijd uitdraaien
uitdraaiden subordinate-clause, verleden tijd uitdraaien
uitdraaie with-subordinate-clause uitdraaien
uitdraaiend onvoltooid deelwoord uitdraaien
uitdraaiende woordvorm uitdraaien
uitdraait subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitdraaien
uitgedraaid voltooid deelwoord uitdraaien
uitgedraaide woordvorm uitdraaien

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitdraaien zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitdraaien

Hoe spreek ik uitdraaien uit?
Zo spreek je uitdraaien uit: /ˈœydrajə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitdraaien?
Uitdraaien is een werkwoord. De betekenis is: ~ op: uiteindelijk als resultaat hebben. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitdraaien?
Zo vervoeg je uitdraaien zo: het voltooid deelwoord is uitgedraaid. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitdraaien is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. D 2
  5. R 2
  6. A 1
  7. A 1
  8. I 1
  9. E 1
  10. N 1
  11. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitdraaien levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. D 2
  5. R 2
  6. A 1
  7. A 1
  8. I 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 16 zonder bonus
  12. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (U) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitdraaien in het kort

uitdraaien is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitdraaien staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitdraaien bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitdraaien: ~ op: uiteindelijk als resultaat hebben
Deel uitdraaien — standaardnederlands.nl