Naar de inhoud

uitbuiten

op nietsonziende wijze zijn voordeel doen van de omstandigheden van iets of iemand

uitbuiten

werkwoord

Betekenis

  1. op nietsonziende wijze zijn voordeel doen van de omstandigheden van iets of iemand

werkwoord

  1. op nietsontziende wijze zijn voordeel doen van de omstandigheden van iets of iemand pejorative, transitive
  2. benutten, voordeel (proberen te) halen uit transitive

Vervoeging van uitbuiten

uitbuitenhele werkwoord — buitte uitverleden tijd enkelvoud — buitten uitverleden tijd meervoud — uitgebuitvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik buit uit buitte uit
jij buit uit buitte uit
hij, zij, het buit uit buitte uit
wij buiten uit buitten uit
jullie buiten uit buitten uit
zij buiten uit buitten uit
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
buit uit gebiedende wijs
buitte uit verleden tijd
er is uitgebuit impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgebuit impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgebuit impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgebuit impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgebuit worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgebuit zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgebuit worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgebuit zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgebuit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgebuit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgebuit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgebuit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgebuit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgebuit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgebuit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgebuit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebuit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgebuit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebuit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgebuit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgebuit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebuit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebuit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgebuit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitbuiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te buiten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen buiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal buiten bijzin, toekomende tijd
uit zou buiten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden buiten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt buiten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen buiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen buiten bijzin, toekomende tijd
uit zult buiten bijzin, toekomende tijd
uitbuit bijzin, tegenwoordige tijd
uitbuitend onvoltooid, deelwoord
uitbuitte bijzin, verleden tijd
uitbuitten bijzin, verleden tijd
uitgebuit verleden tijd, deelwoord
uitgebuit te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebuit zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
zal uitbuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitbuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitbuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitbuiten bijzin, toekomende tijd
zal uitgebuit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebuit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgebuit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou uitbuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitbuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitbuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitbuiten bijzin, voorwaardelijk
zou uitgebuit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebuit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebuit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitbuiten uit zou(dt) buiten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitbuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitbuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitbuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitbuiten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgebuit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebuit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebuit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitbuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitbuiten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgebuit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitbuiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitbuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitbuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitbuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitbuiten bijzin, toekomende tijd
zullen uitgebuit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgebuit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgebuit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitbuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitbuiten bijzin, toekomende tijd
zult uitgebuit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal uitbuiten uit zult/zal buiten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘volledig benutten’ voor het eerst aangetroffen in 1870

Woordfamilie van uitbuiten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
buit uit gebiedende wijs uitbuiten
buite uit woordvorm uitbuiten
buiten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitbuiten
buitte uit verleden tijd uitbuiten
buitten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitbuiten
uitbuit subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbuiten
uitbuite with-subordinate-clause uitbuiten
uitbuitend onvoltooid deelwoord uitbuiten
uitbuitende woordvorm uitbuiten
uitbuitte subordinate-clause, verleden tijd uitbuiten
uitbuitten subordinate-clause, verleden tijd uitbuiten
uitgebuit voltooid deelwoord uitbuiten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbuiten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitbuiten

Wat betekent uitbuiten?
Uitbuiten is een werkwoord. Het woord betekent: op nietsonziende wijze zijn voordeel doen van de omstandigheden van iets of iemand. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitbuiten?
Je vervoegt uitbuiten als volgt: het voltooid deelwoord is uitgebuit. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitbuiten is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. U 4
  6. I 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitbuiten levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. B 4
  5. U 2
  6. I 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitbuiten in het kort

uitbuiten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitbuiten zijn 51 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitbuiten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitbuiten: op nietsonziende wijze zijn voordeel doen van de omstandigheden van iets of iemand
Deel uitbuiten — standaardnederlands.nl