uitbuiten
werkwoordBetekenis
- op nietsonziende wijze zijn voordeel doen van de omstandigheden van iets of iemand
werkwoord
- op nietsontziende wijze zijn voordeel doen van de omstandigheden van iets of iemand pejorative, transitive
- benutten, voordeel (proberen te) halen uit transitive
Vervoeging van uitbuiten
uitbuitenhele werkwoord — buitte uitverleden tijd enkelvoud — buitten uitverleden tijd meervoud — uitgebuitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | buit uit | buitte uit |
| jij | buit uit | buitte uit |
| hij, zij, het | buit uit | buitte uit |
| wij | buiten uit | buitten uit |
| jullie | buiten uit | buitten uit |
| zij | buiten uit | buitten uit |
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buit uit | gebiedende wijs |
| buitte uit | verleden tijd |
| er is uitgebuit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgebuit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgebuit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgebuit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgebuit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgebuit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgebuit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgebuit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgebuit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgebuit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgebuit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgebuit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgebuit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgebuit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgebuit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgebuit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgebuit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgebuit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgebuit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgebuit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgebuit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgebuit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgebuit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgebuit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitbuiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te buiten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen buiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal buiten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou buiten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden buiten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt buiten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen buiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen buiten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult buiten | bijzin, toekomende tijd |
| uitbuit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitbuitend | onvoltooid, deelwoord |
| uitbuitte | bijzin, verleden tijd |
| uitbuitten | bijzin, verleden tijd |
| uitgebuit | verleden tijd, deelwoord |
| uitgebuit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebuit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zal uitbuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitbuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitbuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitbuiten | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgebuit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgebuit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgebuit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou uitbuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitbuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitbuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitbuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgebuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgebuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgebuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitbuiten uit zou(dt) buiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitbuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitbuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitbuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitbuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgebuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgebuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgebuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitbuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitbuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgebuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitbuiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitbuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitbuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitbuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitbuiten | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgebuit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgebuit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgebuit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitbuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitbuiten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgebuit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal uitbuiten uit zult/zal buiten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘volledig benutten’ voor het eerst aangetroffen in 1870
Woordfamilie van uitbuiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buit uit | gebiedende wijs | uitbuiten |
| buite uit | woordvorm | uitbuiten |
| buiten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitbuiten |
| buitte uit | verleden tijd | uitbuiten |
| buitten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitbuiten |
| uitbuit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitbuiten |
| uitbuite | with-subordinate-clause | uitbuiten |
| uitbuitend | onvoltooid deelwoord | uitbuiten |
| uitbuitende | woordvorm | uitbuiten |
| uitbuitte | subordinate-clause, verleden tijd | uitbuiten |
| uitbuitten | subordinate-clause, verleden tijd | uitbuiten |
| uitgebuit | voltooid deelwoord | uitbuiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbuiten zijn vastgelegd.