Naar de inhoud

uitbuiken

na de maaltijd even rust nemen

uitbuiken

werkwoord

Betekenis

  1. na de maaltijd even rust nemen

Vervoeging van uitbuiken

uitbuikenhele werkwoord — buikte uitverleden tijd enkelvoud — buikten uitverleden tijd meervoud — uitgebuiktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik buik uit buikte uit
jij buikt uit buikte uit
hij, zij, het buikt uit buikte uit
wij buiken uit buikten uit
jullie buiken uit buikten uit
zij buiken uit buikten uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
buik uit gebiedende wijs
buikte uit verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had uitgebuikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgebuikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgebuikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgebuikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgebuikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgebuikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgebuikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgebuikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebuikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgebuikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebuikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgebuikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgebuikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebuikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebuikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgebuikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitbuiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te buiken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen buiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal buiken bijzin, toekomende tijd
uit zou buiken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden buiken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt buiken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen buiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen buiken bijzin, toekomende tijd
uit zult buiken bijzin, toekomende tijd
uitbuik bijzin, tegenwoordige tijd
uitbuikend onvoltooid, deelwoord
uitbuikt bijzin, tegenwoordige tijd
uitbuikte bijzin, verleden tijd
uitbuikten bijzin, verleden tijd
uitgebuikt verleden tijd, deelwoord
uitgebuikt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebuikt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
zal uitbuiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitbuiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitbuiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitbuiken bijzin, toekomende tijd
zal uitgebuikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebuikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgebuikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou uitbuiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitbuiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitbuiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitbuiken bijzin, voorwaardelijk
zou uitgebuikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebuikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebuikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitbuiken uit zou(dt) buiken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitbuiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitbuiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitbuiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitbuiken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgebuikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebuikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebuikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitbuiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitbuiken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgebuikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitbuiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitbuiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitbuiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitbuiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitbuiken bijzin, toekomende tijd
zullen uitgebuikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgebuikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgebuikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitbuiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitbuiken bijzin, toekomende tijd
zult uitgebuikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal uitbuiken uit zult/zal buiken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit (bijwoord) en het meervoud van buik

Woordfamilie van uitbuiken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
buik uit gebiedende wijs uitbuiken
buike uit woordvorm uitbuiken
buiken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitbuiken
buikt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitbuiken
buikte uit verleden tijd uitbuiken
buikten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitbuiken
uitbuik subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbuiken
uitbuike with-subordinate-clause uitbuiken
uitbuikend onvoltooid deelwoord uitbuiken
uitbuikende woordvorm uitbuiken
uitbuikt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbuiken
uitbuikte subordinate-clause, verleden tijd uitbuiken
uitbuikten subordinate-clause, verleden tijd uitbuiken
uitgebuikt voltooid deelwoord uitbuiken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbuiken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitbuiken

Wat is de betekenis van uitbuiken?
Uitbuiken is een werkwoord. De betekenis is: na de maaltijd even rust nemen.
Hoe vervoeg ik uitbuiken?
Zo vervoeg je uitbuiken zo: het voltooid deelwoord is uitgebuikt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitbuiken is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. U 4
  6. I 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitbuiken levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. B 4
  5. U 2
  6. I 2
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitbuiken in het kort

uitbuiken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitbuiken staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitbuiken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitbuiken: na de maaltijd even rust nemen
Deel uitbuiken — standaardnederlands.nl