Naar de inhoud

uitboren

met een boor een gat aanbrengen of ruimer maken

uitboren

werkwoord

Betekenis

  1. met een boor een gat aanbrengen of ruimer maken
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van uitboren

uitborenhele werkwoord — boorde uitverleden tijd enkelvoud — boorden uitverleden tijd meervoud — uitgeboordvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik boor uit boorde uit
jij boort uit boorde uit
hij, zij, het boort uit boorde uit
wij boren uit boorden uit
jullie boren uit boorden uit
zij boren uit boorden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
boor uit gebiedende wijs
boorde uit verleden tijd
er is uitgeboord impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgeboord impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgeboord impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgeboord impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgeboord worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgeboord zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgeboord worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgeboord zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgeboord voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeboord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeboord voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeboord voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeboord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeboord voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgeboord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeboord actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgeboord actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitboren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te boren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen boren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal boren bijzin, toekomende tijd
uit zou boren bijzin, voorwaardelijk
uit zouden boren bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt boren bijzin, voorwaardelijk
uit zullen boren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen boren bijzin, toekomende tijd
uit zult boren bijzin, toekomende tijd
uitboor bijzin, tegenwoordige tijd
uitboorde bijzin, verleden tijd
uitboorden bijzin, verleden tijd
uitboort bijzin, tegenwoordige tijd
uitborend onvoltooid, deelwoord
uitgeboord verleden tijd, deelwoord
uitgeboord te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeboord te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeboord te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeboord te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeboord te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeboord worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeboord zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeboord zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeboord zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeboord zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgeboord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeboord voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgeboord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeboord voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgeboord voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgeboord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgeboord voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgeboord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgeboord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgeboord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgeboord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgeboord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgeboord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgeboord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgeboord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgeboord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgeboord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgeboord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgeboord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgeboord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitboren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitboren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitboren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitboren bijzin, toekomende tijd
zal uitgeboord hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeboord hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeboord hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgeboord worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeboord worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgeboord zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeboord zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgeboord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitboren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitboren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitboren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitboren bijzin, voorwaardelijk
zou uitgeboord hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeboord hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeboord hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgeboord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeboord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgeboord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeboord zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeboord zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeboord zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitboren uit zou(dt) boren bijzin, voorwaardelijk
zouden uitboren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitboren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitboren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitboren bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeboord hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeboord hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeboord hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeboord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgeboord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgeboord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeboord zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeboord zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeboord zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitboren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitboren bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeboord hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeboord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeboord zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitboren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitboren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitboren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitboren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitboren bijzin, toekomende tijd
zullen uitgeboord hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeboord hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeboord hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeboord worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgeboord worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgeboord worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeboord zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeboord zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeboord zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitboren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en boren ww

Woordfamilie van uitboren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
boor uit gebiedende wijs uitboren
boorde uit verleden tijd uitboren
boorden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitboren
boort uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitboren
bore uit woordvorm uitboren
boren uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitboren
uitboor subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitboren
uitboorde subordinate-clause, verleden tijd uitboren
uitboorden subordinate-clause, verleden tijd uitboren
uitboort subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitboren
uitbore with-subordinate-clause uitboren
uitborend onvoltooid deelwoord uitboren
uitborende woordvorm uitboren
uitgeboord voltooid deelwoord uitboren
uitgeboorde woordvorm uitboren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitboren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitboren

Wat is de betekenis van uitboren?
Uitboren is een werkwoord. De betekenis is: met een boor een gat aanbrengen of ruimer maken. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitboren?
Zo vervoeg je uitboren zo: het voltooid deelwoord is uitgeboord. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitboren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. O 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitboren levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. B 4
  5. O 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitboren in het kort

uitboren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitboren staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitboren bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitboren: met een boor een gat aanbrengen of ruimer maken
Deel uitboren — standaardnederlands.nl