Naar de inhoud

uitblinken

~ in uitzonderljk goed presteren

uitblinken

werkwoord ˈœydblɪŋkə(n)

Betekenis

  1. ~ in uitzonderljk goed presteren

Hoe spreek je uitblinken uit?

/ˈœydblɪŋkən/

Uitblinken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœydblɪŋkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
d dak
b bak
l land
ɪ pit
ŋ ding
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitblinken

uitblinkenhele werkwoord — blonk uitverleden tijd enkelvoud — blonken uitverleden tijd meervoud — uitgeblonkenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik blink uit blonk uit
jij blinkt uit blonk uit
hij, zij, het blinkt uit blonk uit
wij blinken uit blonken uit
jullie blinken uit blonken uit
zij blinken uit blonken uit
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
blink uit gebiedende wijs
blonk uit verleden tijd
er is uitgeblonken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgeblonken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgeblonken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgeblonken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgeblonken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgeblonken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgeblonken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgeblonken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgeblonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeblonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeblonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeblonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeblonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeblonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgeblonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeblonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgeblonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitblinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te blinken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen blinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal blinken bijzin, toekomende tijd
uit zou blinken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden blinken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt blinken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen blinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen blinken bijzin, toekomende tijd
uit zult blinken bijzin, toekomende tijd
uitblink bijzin, tegenwoordige tijd
uitblinkend onvoltooid, deelwoord
uitblinkt bijzin, tegenwoordige tijd
uitblonk bijzin, verleden tijd
uitblonken bijzin, verleden tijd
uitblonkt bijzin, verleden tijd
uitgeblonken verleden tijd, deelwoord
uitgeblonken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeblonken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
zal uitblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitblinken bijzin, toekomende tijd
zal uitgeblonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeblonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeblonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou uitblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitblinken bijzin, voorwaardelijk
zou uitgeblonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeblonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeblonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitblinken uit zou(dt) blinken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitblinken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeblonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeblonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeblonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitblinken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeblonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitblinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitblinken bijzin, toekomende tijd
zullen uitgeblonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeblonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeblonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitblinken bijzin, toekomende tijd
zult uitgeblonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal uitblinken uit zult/zal blinken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en blinken ww

Woordfamilie van uitblinken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
blink uit gebiedende wijs uitblinken
blinke uit woordvorm uitblinken
blinken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitblinken
blinkt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitblinken
blonk uit verleden tijd uitblinken
blonken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitblinken
uitblink subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitblinken
uitblinke with-subordinate-clause uitblinken
uitblinkend onvoltooid deelwoord uitblinken
uitblinkende woordvorm uitblinken
uitblinkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitblinken
uitblonk subordinate-clause, verleden tijd uitblinken
uitblonken subordinate-clause, verleden tijd uitblinken
uitgeblonken voltooid deelwoord uitblinken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitblinken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitblinken

Hoe spreek je uitblinken uit?
De uitspraak van uitblinken is: /ˈœydblɪŋkə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uitblinken?
Uitblinken is een werkwoord. Het woord betekent: ~ in uitzonderljk goed presteren.
Hoe vervoeg je uitblinken?
Je vervoegt uitblinken als volgt: het voltooid deelwoord is uitgeblonken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitblinken is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. L 3
  6. I 1
  7. N 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitblinken levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. B 4
  5. L 3
  6. I 2
  7. N 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitblinken in het kort

uitblinken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitblinken zijn 55 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitblinken bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitblinken: ~ in uitzonderljk goed presteren
Deel uitblinken — standaardnederlands.nl