Naar de inhoud

uitbaten

de economische mogelijkheden van iets winstgevend benutten

uitbaten

werkwoord

Betekenis

  1. de economische mogelijkheden van iets winstgevend benutten

Vervoeging van uitbaten

uitbatenhele werkwoord — baatte uitverleden tijd enkelvoud — baatten uitverleden tijd meervoud — uitgebaatvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik baat uit baatte uit
jij baat uit baatte uit
hij, zij, het baat uit baatte uit
wij baten uit baatten uit
jullie baten uit baatten uit
zij baten uit baatten uit
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
baat uit gebiedende wijs
baatte uit verleden tijd
ben uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgebaat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgebaat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgebaat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgebaat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgebaat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgebaat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgebaat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgebaat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgebaat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgebaat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgebaat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgebaat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgebaat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgebaat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgebaat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebaat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgebaat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitbaten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te baten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen baten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal baten bijzin, toekomende tijd
uit zou baten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden baten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt baten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen baten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen baten bijzin, toekomende tijd
uit zult baten bijzin, toekomende tijd
uitbaat bijzin, tegenwoordige tijd
uitbaatte bijzin, verleden tijd
uitbaatten bijzin, verleden tijd
uitbatend onvoltooid, deelwoord
uitgebaat verleden tijd, deelwoord
uitgebaat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgebaat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgebaat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebaat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebaat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebaat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgebaat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgebaat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgebaat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgebaat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgebaat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgebaat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgebaat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgebaat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgebaat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgebaat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgebaat voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgebaat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgebaat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgebaat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgebaat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgebaat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgebaat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgebaat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgebaat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgebaat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgebaat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgebaat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgebaat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgebaat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitbaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitbaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitbaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitbaten bijzin, toekomende tijd
zal uitgebaat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebaat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgebaat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgebaat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebaat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgebaat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebaat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgebaat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitbaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitbaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitbaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitbaten bijzin, voorwaardelijk
zou uitgebaat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebaat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebaat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgebaat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebaat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgebaat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebaat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebaat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebaat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitbaten uit zou(dt) baten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitbaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitbaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitbaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitbaten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgebaat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebaat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebaat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgebaat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgebaat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgebaat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgebaat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebaat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebaat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitbaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitbaten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgebaat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgebaat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgebaat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitbaten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitbaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitbaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitbaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitbaten bijzin, toekomende tijd
zullen uitgebaat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgebaat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgebaat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgebaat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgebaat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgebaat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgebaat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgebaat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgebaat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitbaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitbaten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

In de betekenis van ‘exploiteren’ voor het eerst aangetroffen in 1863

Woordfamilie van uitbaten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
baat uit gebiedende wijs uitbaten
baatte uit verleden tijd uitbaten
baatten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitbaten
bate uit woordvorm uitbaten
baten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitbaten
uitbaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbaten
uitbaatte subordinate-clause, verleden tijd uitbaten
uitbaatten subordinate-clause, verleden tijd uitbaten
uitbate with-subordinate-clause uitbaten
uitbatend onvoltooid deelwoord uitbaten
uitbatende woordvorm uitbaten
uitgebaat voltooid deelwoord uitbaten
uitgebate woordvorm uitbaten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbaten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitbaten

Wat is de betekenis van uitbaten?
Uitbaten is een werkwoord. De betekenis is: de economische mogelijkheden van iets winstgevend benutten.
Hoe vervoeg ik uitbaten?
Zo vervoeg je uitbaten zo: het voltooid deelwoord is uitgebaat. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitbaten is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. A 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitbaten levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. B 4
  5. A 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitbaten in het kort

uitbaten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitbaten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitbaten bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitbaten: de economische mogelijkheden van iets winstgevend benutten
Deel uitbaten — standaardnederlands.nl