twijfelen
werkwoord ˈtwɛifələ(n)Betekenis
- ~ tussen: op twee gedachten hinken
- ~ aan: het vermoeden hebben dat iets niet waar is
Hoe spreek je twijfelen uit?
/ˈtwɛifələn/
Twijfelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| f | fiets |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- geen keuze kunnen maken
- geen vertrouwen in iets of iemand hebben
Vervoeging van twijfelen
twijfelenhele werkwoord — twijfeldeverleden tijd enkelvoud — twijfeldenverleden tijd meervoud — getwijfeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | twijfel | twijfelde |
| jij | twijfelt | twijfelde |
| hij, zij, het | twijfelt | twijfelde |
| wij | twijfelen | twijfelden |
| jullie | twijfelen | twijfelden |
| zij | twijfelen | twijfelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getwijfeld | verleden tijd, deelwoord |
| getwijfeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getwijfeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getwijfeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getwijfeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getwijfeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getwijfeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getwijfeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getwijfeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getwijfeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getwijfeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getwijfeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te twijfelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen twijfelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| twijfel | gebiedende wijs |
| twijfelde | verleden tijd |
| twijfele | aanvoegende wijs |
| twijfelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getwijfeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getwijfeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getwijfeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal twijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal twijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal twijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getwijfeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getwijfeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getwijfeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou twijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou twijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou twijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getwijfeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getwijfeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getwijfeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden twijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden twijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden twijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getwijfeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt twijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getwijfeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getwijfeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getwijfeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen twijfelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen twijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen twijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen twijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getwijfeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult twijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van twijfel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van twijfelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getwijfeld | voltooid deelwoord | twijfelen |
| twijfelde | verleden tijd | twijfelen |
| twijfelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | twijfelen |
| twijfele | aanvoegende wijs | twijfelen |
| twijfelend | onvoltooid deelwoord | twijfelen |
| twijfelende | woordvorm | twijfelen |
| twijfelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | twijfelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van twijfelen zijn vastgelegd.