Naar de inhoud

turnen

een sport beoefenen die bestaat uit een verzameling gymnastische oefeningen op een toestel of de grond

turnen

werkwoord ˈtʏrnə(n)

Betekenis

  1. een sport beoefenen die bestaat uit een verzameling gymnastische oefeningen op een toestel of de grond

Hoe spreek je turnen uit?

/ˈtʏrnən/

Turnen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈtʏrnən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
t tak
ʏ put
r rood
n nek
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van turnen

turnenhele werkwoord — turndeverleden tijd enkelvoud — turndenverleden tijd meervoud — geturndvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik turn turnde
jij turnt turnde
hij, zij, het turnt turnde
wij turnen turnden
jullie turnen turnden
zij turnen turnden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geturnd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geturnd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geturnd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geturnd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geturnd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geturnd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geturnd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geturnd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geturnd verleden tijd, deelwoord
geturnd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geturnd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geturnd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geturnd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geturnd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geturnd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geturnd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geturnd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geturnd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geturnd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geturnd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geturnd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geturnd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geturnd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geturnd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geturnd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geturnd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geturnd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te turnen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen turnen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
turn gebiedende wijs
turnde verleden tijd
turne aanvoegende wijs
turnend onvoltooid, deelwoord
zal geturnd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geturnd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geturnd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal turnen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal turnen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal turnen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geturnd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geturnd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geturnd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou turnen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou turnen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou turnen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geturnd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geturnd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geturnd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden turnen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden turnen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden turnen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geturnd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt turnen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geturnd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geturnd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geturnd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen turnen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen turnen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen turnen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen turnen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geturnd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult turnen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘gymnastische oefeningen doen’ voor het eerst aangetroffen in 1856

Woordfamilie van turnen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geturnd voltooid deelwoord turnen
turn gebiedende wijs turnen
turnde verleden tijd turnen
turnden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon turnen
turne aanvoegende wijs turnen
turnend onvoltooid deelwoord turnen
turnende woordvorm turnen
turnt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon turnen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van turnen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over turnen

Hoe spreek ik turnen uit?
Zo spreek je turnen uit: /ˈtʏrnə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van turnen?
Turnen is een werkwoord. De betekenis is: een sport beoefenen die bestaat uit een verzameling gymnastische oefeningen op een toestel of de grond.
Hoe vervoeg ik turnen?
Zo vervoeg je turnen zo: de tegenwoordige tijd is turn, de verleden tijd is turnde en het voltooid deelwoord is geturnd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op turnen?

Er staan 2 woorden in dit woordenboek die op turnen rijmen, waaronder miniurnen en urnen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op turnen, uitspraak ˈtʏrnən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
miniurnen 4
urnen 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord turnen is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. U 4
  3. R 2
  4. N 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

turnen levert met Wordfeud minimaal 9 en maximaal 39 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. U 2
  3. R 2
  4. N 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. 9 zonder bonus
  8. 39 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (T) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

turnen telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

turnen in het kort

turnen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van turnen staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort turnen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

turnen: een sport beoefenen die bestaat uit een verzameling gymnastische oefeningen op een toestel of de grond
Deel turnen — standaardnederlands.nl