Naar de inhoud

tunnelen

gebruik maken van een tunnel

tunnelen

werkwoord ˈtʏnələ(n)

Betekenis

  1. gebruik maken van een tunnel
  2. 'Apart op maandag' in: Nieuwsblad van het Noorden jrg. 104 nr. 128 (3 juni 1991); p. 19 kol. 7; geraadpleegd 2018-03-27
  3. (van deeltjes in de kwantummechanica) zich ondanks een te lage energie verplaatsen voorbij een potentiaalbarrière

Hoe spreek je tunnelen uit?

/ˈtʏnələn/

Tunnelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈtʏnələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
t tak
ʏ put
n nek
ə de
l land
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. de bal tussen de benen door spelen figuratively, transitive
  2. zich ondanks een te lage energie verplaatsen voorbij een potentiaalbarrière unergative

Vervoeging van tunnelen

tunnelenhele werkwoord — tunneldeverleden tijd enkelvoud — tunneldenverleden tijd meervoud — getunneldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik tunnel tunnelde
jij tunnelt tunnelde
hij, zij, het tunnelt tunnelde
wij tunnelen tunnelden
jullie tunnelen tunnelden
zij tunnelen tunnelden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is getunneld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was getunneld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd getunneld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt getunneld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal getunneld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal getunneld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou getunneld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou getunneld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
getunneld verleden tijd, deelwoord
getunneld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getunneld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getunneld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getunneld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getunneld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getunneld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getunneld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getunneld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getunneld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getunneld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getunneld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getunneld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getunneld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getunneld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getunneld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getunneld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getunneld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben getunneld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te tunnelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen tunnelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tunnel gebiedende wijs
tunnelde verleden tijd
tunnele aanvoegende wijs
tunnelend onvoltooid, deelwoord
zal getunneld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getunneld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getunneld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tunnelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal tunnelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal tunnelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou getunneld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getunneld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getunneld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tunnelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou tunnelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou tunnelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getunneld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getunneld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getunneld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tunnelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tunnelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tunnelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getunneld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tunnelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getunneld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getunneld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getunneld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tunnelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen tunnelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tunnelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tunnelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getunneld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult tunnelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

[1, 2]: afgeleid van tunnel zn met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van tunnelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
getunneld voltooid deelwoord tunnelen
getunnelde woordvorm tunnelen
tunnelde verleden tijd tunnelen
tunnelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon tunnelen
tunnele aanvoegende wijs tunnelen
tunnelend onvoltooid deelwoord tunnelen
tunnelende woordvorm tunnelen
tunnelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon tunnelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tunnelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over tunnelen

Hoe spreek je tunnelen uit?
De uitspraak van tunnelen is: /ˈtʏnələ(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent tunnelen?
Tunnelen is een werkwoord. Het woord betekent: gebruik maken van een tunnel. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je tunnelen?
Je vervoegt tunnelen als volgt: de tegenwoordige tijd is tunnel, de verleden tijd is tunnelde en het voltooid deelwoord is getunneld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord tunnelen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. U 4
  3. N 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

tunnelen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. U 2
  3. N 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 zonder bonus
  10. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

tunnelen in het kort

tunnelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van tunnelen zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort tunnelen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

tunnelen: gebruik maken van een tunnel
Deel tunnelen — standaardnederlands.nl