trompetteren
werkwoordBetekenis
- het geluid van een olifant
Vervoeging van trompetteren
trompetterenhele werkwoord — trompetterdeverleden tijd enkelvoud — trompetterdenverleden tijd meervoud — getrompetterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trompetter | trompetterde |
| jij | trompettert | trompetterde |
| hij, zij, het | trompettert | trompetterde |
| wij | trompetteren | trompetterden |
| jullie | trompetteren | trompetterden |
| zij | trompetteren | trompetterden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getrompetterd | verleden tijd, deelwoord |
| getrompetterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getrompetterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getrompetterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getrompetterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getrompetterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getrompetterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getrompetterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getrompetterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getrompetterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getrompetterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getrompetterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getrompetterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getrompetterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getrompetterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getrompetterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getrompetterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getrompetterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getrompetterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te trompetteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen trompetteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trompetter | gebiedende wijs |
| trompetterde | verleden tijd |
| trompettere | aanvoegende wijs |
| trompetterend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getrompetterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getrompetterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getrompetterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal trompetteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal trompetteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal trompetteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getrompetterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getrompetterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getrompetterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou trompetteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou trompetteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou trompetteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getrompetterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getrompetterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getrompetterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden trompetteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden trompetteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden trompetteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getrompetterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt trompetteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getrompetterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getrompetterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getrompetterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen trompetteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen trompetteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen trompetteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen trompetteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getrompetterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult trompetteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van trompet.
Woordfamilie van trompetteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getrompetterd | voltooid deelwoord | trompetteren |
| trompetterde | verleden tijd | trompetteren |
| trompetterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | trompetteren |
| trompettere | aanvoegende wijs | trompetteren |
| trompetterend | onvoltooid deelwoord | trompetteren |
| trompetterende | woordvorm | trompetteren |
| trompettert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | trompetteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trompetteren zijn vastgelegd.