trompetter
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- iemand die een trompet bespeelt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trompetters | meervoud |
| trompettertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| trompettertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trompetteren
- gebiedende wijs van trompetteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trompetteren
Vervoeging van trompetter
trompetterhele werkwoord
Herkomst
Afgeleid van de stam van trompetten met het achtervoegsel -er.
Woordfamilie van trompetter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trompetters | meervoud | trompetter |
| trompettertje | verkleinwoord | trompetter |
| trompettertjes | verkleinwoord meervoud | trompetter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trompetter zijn vastgelegd.