Naar de inhoud

tripleren

verdrievoudigen

tripleren

werkwoord

Betekenis

  1. verdrievoudigen
  2. een carambole maken nadat de bal tweemaal de band heeft geraakt
  3. een inhalend motorvoertuig zelf inhalen

Vervoeging van tripleren

triplerenhele werkwoord — tripleerdeverleden tijd enkelvoud — tripleerdenverleden tijd meervoud — getripleerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik tripleer tripleerde
jij tripleert tripleerde
hij, zij, het tripleert tripleerde
wij tripleren tripleerden
jullie tripleren tripleerden
zij tripleren tripleerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is getripleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was getripleerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd getripleerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt getripleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal getripleerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal getripleerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou getripleerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou getripleerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
getripleerd verleden tijd, deelwoord
getripleerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
getripleerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
getripleerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getripleerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
getripleerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getripleerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
getripleerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
getripleerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
getripleerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
getripleerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getripleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getripleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getripleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getripleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getripleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getripleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getripleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getripleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben getripleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te tripleren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen tripleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tripleer gebiedende wijs
tripleerde verleden tijd
triplere aanvoegende wijs
triplerend onvoltooid, deelwoord
waart getripleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren getripleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren getripleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren getripleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was getripleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was getripleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was getripleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd getripleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd getripleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd getripleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden getripleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden getripleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden getripleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt getripleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word getripleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden getripleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden getripleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden getripleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt getripleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt getripleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal getripleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getripleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getripleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal getripleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getripleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal getripleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getripleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tripleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal tripleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal tripleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt getripleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou getripleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getripleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getripleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou getripleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getripleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou getripleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getripleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getripleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getripleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tripleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou tripleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou tripleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getripleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getripleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getripleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden getripleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden getripleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden getripleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden getripleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getripleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getripleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tripleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tripleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tripleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getripleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt getripleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt getripleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tripleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getripleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getripleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getripleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen getripleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen getripleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen getripleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen getripleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getripleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getripleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tripleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen tripleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tripleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tripleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getripleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult getripleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult getripleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult tripleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse tripler "met drie vermenigvuldigen" (met het voorvoegsel tri- en met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van tripleren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
getripleerd voltooid deelwoord tripleren
getripleerde woordvorm tripleren
tripleer gebiedende wijs tripleren
tripleerde verleden tijd tripleren
tripleerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon tripleren
tripleert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon tripleren
triplere aanvoegende wijs tripleren
triplerend onvoltooid deelwoord tripleren
triplerende woordvorm tripleren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tripleren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over tripleren

Wat is de betekenis van tripleren?
Tripleren is een werkwoord. De betekenis is: verdrievoudigen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik tripleren?
Zo vervoeg je tripleren zo: de tegenwoordige tijd is tripleer, de verleden tijd is tripleerde en het voltooid deelwoord is getripleerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord tripleren is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. R 2
  3. I 1
  4. P 3
  5. L 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

tripleren levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. R 2
  3. I 2
  4. P 4
  5. L 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

tripleren in het kort

tripleren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van tripleren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort tripleren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

tripleren: verdrievoudigen
Deel tripleren — standaardnederlands.nl