triomferen
werkwoordBetekenis
- de overwinning (triomf) behalen of behaald hebben, zegevieren
Vervoeging van triomferen
triomferenhele werkwoord — triomfeerdeverleden tijd enkelvoud — triomfeerdenverleden tijd meervoud — getriomfeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | triomfeer | triomfeerde |
| jij | triomfeert | triomfeerde |
| hij, zij, het | triomfeert | triomfeerde |
| wij | triomferen | triomfeerden |
| jullie | triomferen | triomfeerden |
| zij | triomferen | triomfeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getriomfeerd | verleden tijd, deelwoord |
| getriomfeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getriomfeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getriomfeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getriomfeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getriomfeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getriomfeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getriomfeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getriomfeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getriomfeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getriomfeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getriomfeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getriomfeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getriomfeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getriomfeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getriomfeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getriomfeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getriomfeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getriomfeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te triomferen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen triomferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| triomfeer | gebiedende wijs |
| triomfeerde | verleden tijd |
| triomfere | aanvoegende wijs |
| triomferend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getriomfeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getriomfeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getriomfeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal triomferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal triomferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal triomferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getriomfeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getriomfeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getriomfeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou triomferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou triomferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou triomferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getriomfeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getriomfeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getriomfeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden triomferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden triomferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden triomferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getriomfeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt triomferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getriomfeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getriomfeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getriomfeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen triomferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen triomferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen triomferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen triomferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getriomfeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult triomferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zegevieren’ voor het eerst aangetroffen in 1511
Woordfamilie van triomferen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getriomfeerd | voltooid deelwoord | triomferen |
| triomfeer | gebiedende wijs | triomferen |
| triomfeerde | verleden tijd | triomferen |
| triomfeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | triomferen |
| triomfeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | triomferen |
| triomfere | aanvoegende wijs | triomferen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van triomferen zijn vastgelegd.