Naar de inhoud

transmuteren

van het ene chemische element in het andere overgaan tijdens een kernreactie

transmuteren

werkwoord

Betekenis

  1. van het ene chemische element in het andere overgaan tijdens een kernreactie
  2. van het ene chemische element in het andere doen overgaan door een kernreactie

Vervoeging van transmuteren

transmuterenhele werkwoord — transmuteerdeverleden tijd enkelvoud — transmuteerdenverleden tijd meervoud — getransmuteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik transmuteer transmuteerde
jij transmuteert transmuteerde
hij, zij, het transmuteert transmuteerde
wij transmuteren transmuteerden
jullie transmuteren transmuteerden
zij transmuteren transmuteerden
Alle 61 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
er is getransmuteerd impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was getransmuteerd impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd getransmuteerd impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt getransmuteerd impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal getransmuteerd worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal getransmuteerd zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou getransmuteerd worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou getransmuteerd zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
getransmuteerd verleden tijd, deelwoord
getransmuteerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
getransmuteerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
getransmuteerd te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getransmuteerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
getransmuteerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getransmuteerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
getransmuteerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
getransmuteerd zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
getransmuteerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
getransmuteerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hebben getransmuteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is getransmuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben/zijn getransmuteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te transmuteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen transmuteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
transmuteer gebiedende wijs
transmuteerde verleden tijd
transmutere aanvoegende wijs
transmuterend onvoltooid, deelwoord
waren getransmuteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was getransmuteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd getransmuteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden getransmuteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden getransmuteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt getransmuteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal getransmuteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal getransmuteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal transmuteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal transmuteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal transmuteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn getransmuteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn getransmuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou getransmuteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou getransmuteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou transmuteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou transmuteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou transmuteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getransmuteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden getransmuteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden transmuteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden transmuteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden transmuteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt transmuteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getransmuteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen getransmuteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen transmuteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen transmuteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen transmuteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen transmuteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult transmuteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse transmuter (met het voorvoegsel trans- met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van transmuteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
getransmuteerd voltooid deelwoord transmuteren
getransmuteerde woordvorm transmuteren
transmuteer gebiedende wijs transmuteren
transmuteerde verleden tijd transmuteren
transmuteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon transmuteren
transmuteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon transmuteren
transmutere aanvoegende wijs transmuteren
transmuterend onvoltooid deelwoord transmuteren
transmuterende woordvorm transmuteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van transmuteren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over transmuteren

Wat betekent transmuteren?
Transmuteren is een werkwoord. Het woord betekent: van het ene chemische element in het andere overgaan tijdens een kernreactie. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je transmuteren?
Je vervoegt transmuteren als volgt: de tegenwoordige tijd is transmuteer, de verleden tijd is transmuteerde en het voltooid deelwoord is getransmuteerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord transmuteren is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. R 2
  3. A 1
  4. N 1
  5. S 2
  6. M 3
  7. U 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

transmuteren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. R 2
  3. A 1
  4. N 1
  5. S 2
  6. M 3
  7. U 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 20 zonder bonus
  14. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

transmuteren in het kort

transmuteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van transmuteren zijn 53 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort transmuteren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

transmuteren: van het ene chemische element in het andere overgaan tijdens een kernreactie
Deel transmuteren — standaardnederlands.nl