trainer
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die beroepsmatig mensen of dieren begeleidt teneinde hun prestaties te verbeteren
- apparaat of systeem waarmee men kan trainen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trainers | meervoud |
| trainertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| trainertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Afgeleid van trainen met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van trainer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trainers | meervoud | trainer |
| trainertje | verkleinwoord | trainer |
| trainertjes | verkleinwoord meervoud | trainer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trainer zijn vastgelegd.