traditie
zelfstandig naamwoord traˈdi(t)siBetekenis
- datgene wat van generatie op generatie aan kennis of gewoontes overgedragen wordt
- een bepaalde gewoonte die op gezette tijden in ere gehouden wordt
Hoe spreek je traditie uit?
/traˈditsi/
Traditie bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| a | maan |
| d | dak |
| i | riet |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tradities | meervoud |
| traditietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| traditietjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘overlevering’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1553
Woordfamilie van traditie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tradities | meervoud | traditie |
| traditietje | verkleinwoord | traditie |
| traditietjes | verkleinwoord meervoud | traditie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van traditie zijn vastgelegd.