oppositie
zelfstandig naamwoord /ˌɔpoˈzitsi/Betekenis
- tegenstand.
- mensen en partijen die niet tot de regeringspartijen horen
Hoe spreek je oppositie uit?
/ˌɔpoˈzitsi/
Oppositie bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| o | boot |
| z | zon |
| i | riet |
| t | tak |
| s | sok |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- verzet, tegenstand
- een toestand waar twee hemellichamen vanuit het standpunt van de Aarde 180° van elkaar zitten (dus op een rechte lijn zitten met de Aarde ertussenin)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| opposities | meervoud |
| oppositietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| oppositietjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tegenstand’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1409
Woordfamilie van oppositie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opposities | meervoud | oppositie |
| oppositietje | verkleinwoord | oppositie |
| oppositietjes | verkleinwoord meervoud | oppositie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oppositie zijn vastgelegd.