tornen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈtɔrnə(n)Betekenis
- herhaald tussen de steken doorknippen van een draad waarmee iets vastgenaaid zit
- met kleine stapjes afbreuk doen aan een bestaande instelling of regel
- laten draaien, doen wentelen
Hoe spreek je tornen uit?
/ˈtɔrnən/
Tornen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van tornen
tornenhele werkwoord — torndeverleden tijd enkelvoud — torndenverleden tijd meervoud — getorndvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | torn | tornde |
| jij | tornt | tornde |
| hij, zij, het | tornt | tornde |
| wij | tornen | tornden |
| jullie | tornen | tornden |
| zij | tornen | tornden |
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] tornen | canonical |
| er is getornd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getornd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getornd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getornd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getornd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getornd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getornd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getornd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getornd | verleden tijd, deelwoord |
| getornd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getornd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getornd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getornd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getornd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getornd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getornd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getornd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getornd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getornd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getornd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getornd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getornd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getornd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getornd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getornd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getornd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getornd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tornen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tornen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| torn | gebiedende wijs |
| tornde | verleden tijd |
| torne | aanvoegende wijs |
| tornend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getornd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getornd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getornd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tornen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tornen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tornen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getornd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getornd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getornd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tornen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tornen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tornen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getornd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getornd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getornd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tornen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tornen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tornen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getornd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tornen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getornd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getornd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getornd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tornen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tornen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tornen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tornen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getornd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tornen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord torn
Woordfamilie van tornen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getornd | voltooid deelwoord | tornen |
| getornde | woordvorm | tornen |
| tornde | verleden tijd | tornen |
| tornden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tornen |
| torne | aanvoegende wijs | tornen |
| tornend | onvoltooid deelwoord | tornen |
| tornende | woordvorm | tornen |
| tornt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tornen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tornen zijn vastgelegd.