toren
zelfstandig naamwoord, werkwoord /tɔːrə(n)/Betekenis
- een smal hoog bouwwerk
- een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
Hoe spreek je toren uit?
/tɔrən/
Toren bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| torens | meervoud |
| torentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| torentjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van torenen
- gebiedende wijs van torenen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van torenen
Vervoeging van toren
torenhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hoog bouwwerk’ voor het eerst aangetroffen in 1201
Woordfamilie van toren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| torens | meervoud | toren |
| torentje | verkleinwoord | toren |
| torentjes | verkleinwoord meervoud | toren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toren zijn vastgelegd.