acteren
werkwoordBetekenis
- een rol vervullen in een toneelspel
- doen alsof, een rol spelen
werkwoord
- beslissend handelen, opereren
Vervoeging van acteren
acterenhele werkwoord — acteerdeverleden tijd enkelvoud — acteerdenverleden tijd meervoud — geacteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | acteer | acteerde |
| jij | acteert | acteerde |
| hij, zij, het | acteert | acteerde |
| wij | acteren | acteerden |
| jullie | acteren | acteerden |
| zij | acteren | acteerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| acteer | gebiedende wijs |
| acteerde | verleden tijd |
| actere | aanvoegende wijs |
| acterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geacteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geacteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geacteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geacteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geacteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geacteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geacteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geacteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geacteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geacteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geacteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geacteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geacteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geacteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geacteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geacteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geacteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geacteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geacteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geacteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geacteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geacteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geacteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geacteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geacteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geacteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te acteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geacteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen acteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal acteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal acteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal acteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geacteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geacteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geacteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou acteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou acteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou acteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geacteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geacteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geacteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden acteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden acteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden acteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geacteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geacteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geacteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt acteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geacteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen acteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen acteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen acteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen acteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geacteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geacteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geacteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult acteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geacteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘toneelspelen’ voor het eerst aangetroffen in 1843
Woordfamilie van acteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| acteer | gebiedende wijs | acteren |
| acteerde | verleden tijd | acteren |
| acteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | acteren |
| acteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | acteren |
| actere | aanvoegende wijs | acteren |
| acterend | onvoltooid deelwoord | acteren |
| acterende | woordvorm | acteren |
| geacteerd | voltooid deelwoord | acteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van acteren zijn vastgelegd.