Naar de inhoud

toewerpen

iets in iemands richting gooien

toewerpen

werkwoord

Betekenis

  1. iets in iemands richting gooien
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

werkwoord

  1. een blik toewerpen: indringend naar iemand kijken figuratively

Vervoeging van toewerpen

toewerpenhele werkwoord — wierp toeverleden tijd enkelvoud — wierpen toeverleden tijd meervoud — toegeworpenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik werp toe wierp toe
jij werpt toe wierp toe
hij, zij, het werpt toe wierp toe
wij werpen toe wierpen toe
jullie werpen toe wierpen toe
zij werpen toe wierpen toe
Alle 207 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is toegeworpen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was toegeworpen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd toegeworpen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt toegeworpen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal toegeworpen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal toegeworpen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou toegeworpen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou toegeworpen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had toegeworpen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had toegeworpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had toegeworpen voltooid, verleden tijd, derde persoon
had toegeworpen gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had toegeworpen gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had toegeworpen gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden toegeworpen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden toegeworpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden toegeworpen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden toegeworpen gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden toegeworpen gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden toegeworpen gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt toegeworpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt toegeworpen gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb toegeworpen gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben toegeworpen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben toegeworpen gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben toegeworpen gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben toegeworpen gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt toegeworpen gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft toegeworpen gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft toegeworpen gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kreeg toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
kreeg toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
kreeg toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kreegt toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kregen toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
kregen toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
kregen toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
krijg toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
krijgen toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
krijgen toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
krijgen toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
krijgt toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
krijgt toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
te hebben toegeworpen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen toewerpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toe te werpen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toe te zullen werpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toe zal werpen bijzin, toekomende tijd
toe zou werpen bijzin, voorwaardelijk
toe zouden werpen bijzin, voorwaardelijk
toe zoudt werpen bijzin, voorwaardelijk
toe zullen werpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
toe zullen werpen bijzin, toekomende tijd
toe zult werpen bijzin, toekomende tijd
toegeworpen verleden tijd, deelwoord
toegeworpen gekregen hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
toegeworpen gekregen te hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toegeworpen gekregen te zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegeworpen gekregen zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
toegeworpen krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
toegeworpen te krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toegeworpen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toegeworpen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toegeworpen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegeworpen te zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegeworpen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegeworpen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegeworpen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
toegeworpen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
toegeworpen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
toegeworpen zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
toegeworpen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
toegeworpen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
toewerp bijzin, tegenwoordige tijd
toewerpend onvoltooid, deelwoord
toewerpt bijzin, tegenwoordige tijd
toewierp bijzin, verleden tijd
toewierpen bijzin, verleden tijd
toewierpt bijzin, verleden tijd
waart toegeworpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren toegeworpen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren toegeworpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren toegeworpen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was toegeworpen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was toegeworpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was toegeworpen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werp toe gebiedende wijs
wierp toe verleden tijd
word toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt toegeworpen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal toegeworpen gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegeworpen gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal toegeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal toegeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal toegeworpen krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegeworpen krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal toegeworpen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegeworpen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal toegeworpen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegeworpen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal toewerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal toewerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal toewerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal toewerpen bijzin, toekomende tijd
zijn toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt toegeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou toegeworpen gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou toegeworpen gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou toegeworpen gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou toegeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou toegeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou toegeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou toegeworpen krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon

Herkomst

samenstelling van toe bw en werpen ww

Woordfamilie van toewerpen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
toegeworpen voltooid deelwoord toewerpen
toewerp subordinate-clause, tegenwoordige tijd toewerpen
toewerpe with-subordinate-clause toewerpen
toewerpend onvoltooid deelwoord toewerpen
toewerpende woordvorm toewerpen
toewerpt subordinate-clause, tegenwoordige tijd toewerpen
toewierp subordinate-clause, verleden tijd toewerpen
toewierpen subordinate-clause, verleden tijd toewerpen
werp toe gebiedende wijs toewerpen
werpe toe woordvorm toewerpen
werpen toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon toewerpen
werpt toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon toewerpen
wierp toe verleden tijd toewerpen
wierpen toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon toewerpen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toewerpen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over toewerpen

Wat is de betekenis van toewerpen?
Toewerpen is een werkwoord. De betekenis is: iets in iemands richting gooien. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik toewerpen?
Zo vervoeg je toewerpen zo: het voltooid deelwoord is toegeworpen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord toewerpen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. O 1
  3. E 1
  4. W 5
  5. E 1
  6. R 2
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

toewerpen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. O 1
  3. E 1
  4. W 5
  5. E 1
  6. R 2
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

toewerpen in het kort

toewerpen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van toewerpen staan er 123 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort toewerpen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

toewerpen: iets in iemands richting gooien
Deel toewerpen — standaardnederlands.nl