toestoten
werkwoordBetekenis
- stotend tot elkaar brengen
Vervoeging van toestoten
toestotenhele werkwoord — stiet toeverleden tijd enkelvoud — stieten toeverleden tijd meervoud — toegestotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stoot toe | stiet toe |
| jij | stoot toe | stiet toe |
| hij, zij, het | stoot toe | stiet toe |
| wij | stoten toe | stieten toe |
| jullie | stoten toe | stieten toe |
| zij | stoten toe | stieten toe |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had toegestoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had toegestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had toegestoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden toegestoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden toegestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden toegestoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt toegestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb toegestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toegestoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben toegestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toegestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben toegestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt toegestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toegestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toegestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stiet toe | verleden tijd |
| stoot toe | gebiedende wijs |
| stootte toe | verleden tijd |
| te hebben toegestoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen toestoten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toe te stoten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toe te zullen stoten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toe zal stoten | bijzin, toekomende tijd |
| toe zou stoten | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zouden stoten | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zoudt stoten | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zullen stoten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toe zullen stoten | bijzin, toekomende tijd |
| toe zult stoten | bijzin, toekomende tijd |
| toegestoten | verleden tijd, deelwoord |
| toegestoten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegestoten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toestiet | bijzin, verleden tijd |
| toestieten | bijzin, verleden tijd |
| toestoot | bijzin, tegenwoordige tijd |
| toestootte | bijzin, verleden tijd |
| toestootten | bijzin, verleden tijd |
| toestotend | onvoltooid, deelwoord |
| zal toegestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal toegestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toestoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal toestoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal toestoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal toestoten | bijzin, toekomende tijd |
| zou toegestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toegestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toegestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toestoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou toestoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou toestoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou toestoten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) toestoten toe zou(dt) stoten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden toegestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden toegestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden toegestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toestoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden toestoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden toestoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden toestoten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt toegestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt toestoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt toestoten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen toegestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen toegestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen toegestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen toestoten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen toestoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen toestoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen toestoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen toestoten | bijzin, toekomende tijd |
| zult toegestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult toestoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult toestoten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal toestoten toe zult/zal stoten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van toe en stoten
Woordfamilie van toestoten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stiet toe | verleden tijd | toestoten |
| stieten toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | toestoten |
| stoot toe | gebiedende wijs | toestoten |
| stootte toe | verleden tijd | toestoten |
| stootten toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | toestoten |
| stote toe | woordvorm | toestoten |
| stoten toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | toestoten |
| toegestoten | voltooid deelwoord | toestoten |
| toestiet | subordinate-clause, verleden tijd | toestoten |
| toestieten | subordinate-clause, verleden tijd | toestoten |
| toestoot | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | toestoten |
| toestootte | subordinate-clause, verleden tijd | toestoten |
| toestootten | subordinate-clause, verleden tijd | toestoten |
| toestote | with-subordinate-clause | toestoten |
| toestotend | onvoltooid deelwoord | toestoten |
| toestotende | woordvorm | toestoten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toestoten zijn vastgelegd.