toespreken
werkwoord ˈtusprekə(n)Betekenis
- het woord tot een bepaald iemand of een bepaalde groep richten
Hoe spreek je toespreken uit?
/ˈtusprekən/
Toespreken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| u | boek |
| s | sok |
| p | pak |
| r | rood |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van toespreken
toesprekenhele werkwoord — sprak toeverleden tijd enkelvoud — spraken toeverleden tijd meervoud — toegesprokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spreek toe | sprak toe |
| jij | spreekt toe | spraakt toe |
| hij, zij, het | spreekt toe | sprak toe |
| wij | spreken toe | spraken toe |
| jullie | spreken toe | spraken toe |
| zij | spreken toe | spraken toe |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is toegesproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was toegesproken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd toegesproken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt toegesproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal toegesproken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal toegesproken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou toegesproken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou toegesproken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had toegesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had toegesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had toegesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden toegesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden toegesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden toegesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt toegesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toegesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sprak toe | verleden tijd |
| spreek toe | gebiedende wijs |
| te hebben toegesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen toespreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toe te spreken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toe te zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toe zal spreken | bijzin, toekomende tijd |
| toe zou spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zouden spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zoudt spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toe zullen spreken | bijzin, toekomende tijd |
| toe zult spreken | bijzin, toekomende tijd |
| toegesproken | verleden tijd, deelwoord |
| toegesproken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toegesproken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toegesproken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegesproken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegesproken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegesproken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toegesproken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toegesproken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toegesproken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toegesproken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toespraakt | bijzin, verleden tijd |
| toesprak | bijzin, verleden tijd |
| toespraken | bijzin, verleden tijd |
| toespreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| toespreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| toesprekend | onvoltooid, deelwoord |
| waart toegesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren toegesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren toegesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren toegesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was toegesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was toegesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was toegesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd toegesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd toegesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd toegesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden toegesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden toegesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden toegesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt toegesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word toegesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden toegesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden toegesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden toegesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt toegesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt toegesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal toegesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal toegesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toegesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal toegesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toespreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal toespreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal toespreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal toespreken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt toegesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou toegesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toegesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toegesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toegesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toegesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou toegesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toegesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toegesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toegesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toespreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou toespreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou toespreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou toespreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) toespreken toe zou(dt) spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden toegesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden toegesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden toegesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toegesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden toegesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden toegesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toegesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden toegesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden toegesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toespreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden toespreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden toespreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden toespreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt toegesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt toegesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt toegesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt toespreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt toespreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen toegesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen toegesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen toegesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen toegesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen toegesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen toegesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen toegesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen toegesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen toegesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen toespreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen toespreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen toespreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen toespreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen toespreken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van toe en spreken
Woordfamilie van toespreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spraakt toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | toespreken |
| sprak toe | verleden tijd | toespreken |
| spraken toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | toespreken |
| spreek toe | gebiedende wijs | toespreken |
| spreekt toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | toespreken |
| spreke toe | woordvorm | toespreken |
| spreken toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | toespreken |
| toegesproken | voltooid deelwoord | toespreken |
| toesprak | subordinate-clause, verleden tijd | toespreken |
| toespreek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | toespreken |
| toespreekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | toespreken |
| toespreke | with-subordinate-clause | toespreken |
| toesprekend | onvoltooid deelwoord | toespreken |
| toesprekende | woordvorm | toespreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toespreken zijn vastgelegd.