Naar de inhoud

toerusten

één of meer personen, vaar- of voertuigen e.d. voorzien van de benodigdheden voor een taak, expeditie of reis

toerusten

werkwoord

Betekenis

  1. één of meer personen, vaar- of voertuigen e.d. voorzien van de benodigdheden voor een taak, expeditie of reis

Vervoeging van toerusten

toerustenhele werkwoord — rustte toeverleden tijd enkelvoud — rustten toeverleden tijd meervoud — toegerustvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rust toe rustte toe
jij rust toe rustte toe
hij, zij, het rust toe rustte toe
wij rusten toe rustten toe
jullie rusten toe rustten toe
zij rusten toe rustten toe
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is toegerust impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was toegerust impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd toegerust impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt toegerust impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal toegerust worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal toegerust zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou toegerust worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou toegerust zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had toegerust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had toegerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had toegerust voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden toegerust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden toegerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden toegerust voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt toegerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben toegerust actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
rust toe gebiedende wijs
rustte toe verleden tijd
te hebben toegerust actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen toerusten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toe te rusten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toe te zullen rusten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toe zal rusten bijzin, toekomende tijd
toe zou rusten bijzin, voorwaardelijk
toe zouden rusten bijzin, voorwaardelijk
toe zoudt rusten bijzin, voorwaardelijk
toe zullen rusten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
toe zullen rusten bijzin, toekomende tijd
toe zult rusten bijzin, toekomende tijd
toegerust verleden tijd, deelwoord
toegerust te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toegerust te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toegerust te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegerust te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegerust te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegerust worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
toegerust zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
toegerust zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
toegerust zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
toegerust zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
toerust bijzin, tegenwoordige tijd
toerustend onvoltooid, deelwoord
toerustte bijzin, verleden tijd
toerustten bijzin, verleden tijd
waart toegerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren toegerust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren toegerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren toegerust voltooid, verleden tijd, derde persoon
was toegerust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was toegerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was toegerust voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd toegerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd toegerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd toegerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden toegerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden toegerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden toegerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt toegerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word toegerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden toegerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden toegerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden toegerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt toegerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt toegerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal toegerust hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegerust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal toegerust hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal toegerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal toegerust zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegerust zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal toerusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal toerusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal toerusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal toerusten bijzin, toekomende tijd
zijn toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt toegerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou toegerust hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou toegerust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou toegerust hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou toegerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou toegerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou toegerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou toegerust zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou toegerust zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou toegerust zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou toerusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou toerusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou toerusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou toerusten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) toerusten toe zou(dt) rusten bijzin, voorwaardelijk
zouden toegerust hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden toegerust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden toegerust hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden toegerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden toegerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden toegerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden toegerust zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden toegerust zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden toegerust zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden toerusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden toerusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden toerusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden toerusten bijzin, voorwaardelijk
zoudt toegerust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt toegerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt toegerust zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt toerusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt toerusten bijzin, voorwaardelijk
zullen toegerust hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen toegerust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen toegerust hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen toegerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen toegerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen toegerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen toegerust zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen toegerust zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen toegerust zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen toerusten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen toerusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen toerusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen toerusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen toerusten bijzin, toekomende tijd
zult toegerust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult toegerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van toe bw en rusten ww

Woordfamilie van toerusten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
rust toe gebiedende wijs toerusten
ruste toe woordvorm toerusten
rusten toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon toerusten
rustte toe verleden tijd toerusten
rustten toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon toerusten
toerust subordinate-clause, tegenwoordige tijd toerusten
toeruste with-subordinate-clause toerusten
toerustend onvoltooid deelwoord toerusten
toerustende woordvorm toerusten
toerustte subordinate-clause, verleden tijd toerusten
toerustten subordinate-clause, verleden tijd toerusten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toerusten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over toerusten

Wat is de betekenis van toerusten?
Toerusten is een werkwoord. De betekenis is: één of meer personen, vaar- of voertuigen e.d. voorzien van de benodigdheden voor een taak, expeditie of reis.
Hoe vervoeg ik toerusten?
Zo vervoeg je toerusten zo: het voltooid deelwoord is toegerust. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord toerusten is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. O 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. U 4
  6. S 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

toerusten levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. O 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. U 2
  6. S 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 zonder bonus
  11. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (T) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

toerusten in het kort

toerusten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van toerusten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort toerusten bij een woordfamilie van 11 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

toerusten: één of meer personen, vaar- of voertuigen e.d. voorzien van de benodigdheden voor een taak, expeditie of reis
Deel toerusten — standaardnederlands.nl