toef
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een bos(je), pluk(je), tuilt(je), een bosje van iets
- een (grote) klodder
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| toefen | meervoud |
| toefje | verkleinwoord, enkelvoud |
| toefjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toeven
- gebiedende wijs van toeven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toeven
Vervoeging van toef
toefhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘pluk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1605
Woordfamilie van toef
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| toefen | meervoud | toef |
| toefje | verkleinwoord | toef |
| toefjes | verkleinwoord meervoud | toef |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toef zijn vastgelegd.