toebijten
werkwoordBetekenis
- op snauwende wijze iemand iets meedelen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van toebijten
toebijtenhele werkwoord — beet toeverleden tijd enkelvoud — beten toeverleden tijd meervoud — toegebetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bijt toe | beet toe |
| jij | bijt toe | beet toe |
| hij, zij, het | bijt toe | beet toe |
| wij | bijten toe | beten toe |
| jullie | bijten toe | beten toe |
| zij | bijten toe | beten toe |
Alle 167 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| beet toe | verleden tijd |
| bijt toe | gebiedende wijs |
| er is toegebeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was toegebeten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd toegebeten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt toegebeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal toegebeten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal toegebeten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou toegebeten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou toegebeten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had toegebeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had toegebeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had toegebeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had toegebeten gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had toegebeten gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had toegebeten gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden toegebeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden toegebeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden toegebeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden toegebeten gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden toegebeten gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden toegebeten gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt toegebeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt toegebeten gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb toegebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb toegebeten gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toegebeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben toegebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toegebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben toegebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben toegebeten gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toegebeten gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben toegebeten gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt toegebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt toegebeten gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toegebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toegebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft toegebeten gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toegebeten gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is toegebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| kreeg toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| kreeg toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kreegt toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kregen toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| kregen toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| kregen toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| krijg toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| krijgen toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| krijgen toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| krijgen toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krijgt toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| krijgt toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| te hebben toegebeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen toebijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toe te bijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toe te zullen bijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toe zal bijten | bijzin, toekomende tijd |
| toe zou bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zouden bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zoudt bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zullen bijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toe zullen bijten | bijzin, toekomende tijd |
| toe zult bijten | bijzin, toekomende tijd |
| toebeet | bijzin, verleden tijd |
| toebeten | bijzin, verleden tijd |
| toebijt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| toebijtend | onvoltooid, deelwoord |
| toegebeten | verleden tijd, deelwoord |
| toegebeten gekregen hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toegebeten gekregen te hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toegebeten gekregen te zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegebeten gekregen zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toegebeten krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toegebeten te krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toegebeten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toegebeten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toegebeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegebeten te zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegebeten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegebeten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegebeten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toegebeten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toegebeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toegebeten zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toegebeten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toegebeten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waren toegebeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was toegebeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt toegebeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal toebijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal toebijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal toebijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal toebijten | bijzin, toekomende tijd |
| zal toegebeten gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegebeten gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toegebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal toegebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toegebeten krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegebeten krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal toegebeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal toegebeten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn toegebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou toebijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou toebijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou toebijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou toebijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou toegebeten gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toegebeten gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toegebeten gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toegebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toegebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toegebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toegebeten krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toegebeten krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou toegebeten krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toegebeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou toegebeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) toebijten toe zou(dt) bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden toebijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden toebijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden toebijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden toebijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden toegebeten gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden toegebeten gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden toegebeten gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toegebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden toegebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden toegebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toegebeten krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden toegebeten krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden toegebeten krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toegebeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toegebeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van toe bw en bijten ww
Woordfamilie van toebijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beet toe | verleden tijd | toebijten |
| beten toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | toebijten |
| bijt toe | gebiedende wijs | toebijten |
| bijte toe | woordvorm | toebijten |
| bijten toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | toebijten |
| toebeet | subordinate-clause, verleden tijd | toebijten |
| toebeten | subordinate-clause, verleden tijd | toebijten |
| toebijt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | toebijten |
| toebijte | with-subordinate-clause | toebijten |
| toebijtend | onvoltooid deelwoord | toebijten |
| toebijtende | woordvorm | toebijten |
| toegebeten | voltooid deelwoord | toebijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toebijten zijn vastgelegd.