Naar de inhoud

toebijten

op snauwende wijze iemand iets meedelen

toebijten

werkwoord

Betekenis

  1. op snauwende wijze iemand iets meedelen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van toebijten

toebijtenhele werkwoord — beet toeverleden tijd enkelvoud — beten toeverleden tijd meervoud — toegebetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bijt toe beet toe
jij bijt toe beet toe
hij, zij, het bijt toe beet toe
wij bijten toe beten toe
jullie bijten toe beten toe
zij bijten toe beten toe
Alle 167 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
beet toe verleden tijd
bijt toe gebiedende wijs
er is toegebeten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was toegebeten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd toegebeten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt toegebeten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal toegebeten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal toegebeten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou toegebeten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou toegebeten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had toegebeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had toegebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had toegebeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
had toegebeten gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had toegebeten gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had toegebeten gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden toegebeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden toegebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden toegebeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden toegebeten gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden toegebeten gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden toegebeten gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt toegebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt toegebeten gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb toegebeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb toegebeten gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben toegebeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben toegebeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben toegebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben toegebeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben toegebeten gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben toegebeten gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben toegebeten gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt toegebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt toegebeten gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft toegebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft toegebeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft toegebeten gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft toegebeten gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is toegebeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kreeg toegebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
kreeg toegebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
kreeg toegebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kreegt toegebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kregen toegebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
kregen toegebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
kregen toegebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
krijg toegebeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
krijgen toegebeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
krijgen toegebeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
krijgen toegebeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
krijgt toegebeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
krijgt toegebeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
te hebben toegebeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen toebijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toe te bijten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toe te zullen bijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toe zal bijten bijzin, toekomende tijd
toe zou bijten bijzin, voorwaardelijk
toe zouden bijten bijzin, voorwaardelijk
toe zoudt bijten bijzin, voorwaardelijk
toe zullen bijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
toe zullen bijten bijzin, toekomende tijd
toe zult bijten bijzin, toekomende tijd
toebeet bijzin, verleden tijd
toebeten bijzin, verleden tijd
toebijt bijzin, tegenwoordige tijd
toebijtend onvoltooid, deelwoord
toegebeten verleden tijd, deelwoord
toegebeten gekregen hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
toegebeten gekregen te hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toegebeten gekregen te zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegebeten gekregen zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
toegebeten krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
toegebeten te krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toegebeten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toegebeten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toegebeten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegebeten te zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegebeten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegebeten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegebeten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
toegebeten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
toegebeten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
toegebeten zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
toegebeten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
toegebeten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waren toegebeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was toegebeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd toegebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden toegebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden toegebeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt toegebeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal toebijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal toebijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal toebijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal toebijten bijzin, toekomende tijd
zal toegebeten gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegebeten gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal toegebeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegebeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal toegebeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal toegebeten krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegebeten krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal toegebeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal toegebeten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn toegebeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou toebijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou toebijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou toebijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou toebijten bijzin, voorwaardelijk
zou toegebeten gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou toegebeten gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou toegebeten gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou toegebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou toegebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou toegebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou toegebeten krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou toegebeten krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou toegebeten krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou toegebeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou toegebeten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) toebijten toe zou(dt) bijten bijzin, voorwaardelijk
zouden toebijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden toebijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden toebijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden toebijten bijzin, voorwaardelijk
zouden toegebeten gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden toegebeten gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden toegebeten gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden toegebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden toegebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden toegebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden toegebeten krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden toegebeten krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden toegebeten krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden toegebeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden toegebeten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon

Herkomst

samenstelling van toe bw en bijten ww

Woordfamilie van toebijten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
beet toe verleden tijd toebijten
beten toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon toebijten
bijt toe gebiedende wijs toebijten
bijte toe woordvorm toebijten
bijten toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon toebijten
toebeet subordinate-clause, verleden tijd toebijten
toebeten subordinate-clause, verleden tijd toebijten
toebijt subordinate-clause, tegenwoordige tijd toebijten
toebijte with-subordinate-clause toebijten
toebijtend onvoltooid deelwoord toebijten
toebijtende woordvorm toebijten
toegebeten voltooid deelwoord toebijten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toebijten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over toebijten

Wat betekent toebijten?
Toebijten is een werkwoord. Het woord betekent: op snauwende wijze iemand iets meedelen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je toebijten?
Je vervoegt toebijten als volgt: het voltooid deelwoord is toegebeten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord toebijten is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. O 1
  3. E 1
  4. B 3
  5. I 1
  6. J 4
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

toebijten levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. O 1
  3. E 1
  4. B 4
  5. I 2
  6. J 4
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

toebijten in het kort

toebijten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van toebijten zijn 109 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort toebijten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

toebijten: op snauwende wijze iemand iets meedelen
Deel toebijten — standaardnederlands.nl