toebedelen
werkwoordBetekenis
- een deel aan iemand toewijzen
Vervoeging van toebedelen
toebedelenhele werkwoord — bedeelde toeverleden tijd enkelvoud — bedeelden toeverleden tijd meervoud — toebedeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bedeel toe | bedeelde toe |
| jij | bedeelt toe | bedeelde toe |
| hij, zij, het | bedeelt toe | bedeelde toe |
| wij | bedelen toe | bedeelden toe |
| jullie | bedelen toe | bedeelden toe |
| zij | bedelen toe | bedeelden toe |
Alle 168 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| bedeel toe | gebiedende wijs |
| bedeelde toe | verleden tijd |
| er is toebedeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was toebedeeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd toebedeeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt toebedeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal toebedeeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal toebedeeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou toebedeeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou toebedeeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had toebedeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had toebedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had toebedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had toebedeeld gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had toebedeeld gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had toebedeeld gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden toebedeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden toebedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden toebedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden toebedeeld gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden toebedeeld gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden toebedeeld gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt toebedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt toebedeeld gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb toebedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb toebedeeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toebedeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben toebedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toebedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben toebedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben toebedeeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toebedeeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben toebedeeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt toebedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt toebedeeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toebedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toebedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft toebedeeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toebedeeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is toebedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| kreeg toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| kreeg toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kreegt toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kregen toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| kregen toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| kregen toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| krijg toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| krijgen toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| krijgen toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| krijgen toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krijgt toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| krijgt toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| te hebben toebedeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen toebedelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toe te bedelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toe te zullen bedelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toe zal bedelen | bijzin, toekomende tijd |
| toe zou bedelen | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zouden bedelen | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zoudt bedelen | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zullen bedelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toe zullen bedelen | bijzin, toekomende tijd |
| toe zult bedelen | bijzin, toekomende tijd |
| toebedeel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| toebedeeld | verleden tijd, deelwoord |
| toebedeeld gekregen hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toebedeeld gekregen te hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toebedeeld gekregen te zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toebedeeld gekregen zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toebedeeld krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toebedeeld te krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toebedeeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toebedeeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toebedeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toebedeeld te zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toebedeeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toebedeeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toebedeeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toebedeeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toebedeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toebedeeld zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toebedeeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toebedeeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toebedeelde | bijzin, verleden tijd |
| toebedeelden | bijzin, verleden tijd |
| toebedeelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| toebedelend | onvoltooid, deelwoord |
| waren toebedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was toebedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt toebedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal toebedeeld gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toebedeeld gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toebedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toebedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal toebedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toebedeeld krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toebedeeld krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal toebedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal toebedeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toebedelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal toebedelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal toebedelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal toebedelen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn toebedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou toebedeeld gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toebedeeld gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toebedeeld gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toebedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toebedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toebedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toebedeeld krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toebedeeld krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou toebedeeld krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toebedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou toebedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toebedelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou toebedelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou toebedelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou toebedelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) toebedelen toe zou(dt) bedelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden toebedeeld gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden toebedeeld gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden toebedeeld gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toebedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden toebedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden toebedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toebedeeld krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden toebedeeld krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden toebedeeld krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toebedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toebedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toebedelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden toebedelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden toebedelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van toe (bijwoord) en bedélen (werkwoord)
Woordfamilie van toebedelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bedeel toe | gebiedende wijs | toebedelen |
| bedeelde toe | verleden tijd | toebedelen |
| bedeelden toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | toebedelen |
| bedeelt toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | toebedelen |
| bedele toe | woordvorm | toebedelen |
| bedelen toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | toebedelen |
| toebedeel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | toebedelen |
| toebedeeld | voltooid deelwoord | toebedelen |
| toebedeelde | subordinate-clause, verleden tijd | toebedelen |
| toebedeelden | subordinate-clause, verleden tijd | toebedelen |
| toebedeelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | toebedelen |
| toebedele | with-subordinate-clause | toebedelen |
| toebedelend | onvoltooid deelwoord | toebedelen |
| toebedelende | woordvorm | toebedelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toebedelen zijn vastgelegd.