Naar de inhoud

thuiskomen

terugkeren in de eigen woning

thuiskomen

werkwoord

Betekenis

  1. terugkeren in de eigen woning

Vervoeging van thuiskomen

thuiskomenhele werkwoord — kwam thuisverleden tijd enkelvoud — kwamen thuisverleden tijd meervoud — thuisgekomenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kom thuis kwam thuis
jij komt thuis kwaamt thuis
hij, zij, het komt thuis kwam thuis
wij komen thuis kwamen thuis
jullie komen thuis kwamen thuis
zij komen thuis kwamen thuis
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben thuisgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent thuisgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is thuisgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is thuisgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kom thuis gebiedende wijs
kwam thuis verleden tijd
te zijn thuisgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen thuiskomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
thuis te komen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
thuis te zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
thuis zal komen bijzin, toekomende tijd
thuis zou komen bijzin, voorwaardelijk
thuis zouden komen bijzin, voorwaardelijk
thuis zoudt komen bijzin, voorwaardelijk
thuis zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
thuis zullen komen bijzin, toekomende tijd
thuis zult komen bijzin, toekomende tijd
thuisgekomen verleden tijd, deelwoord
thuisgekomen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
thuisgekomen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
thuiskom bijzin, tegenwoordige tijd
thuiskomend onvoltooid, deelwoord
thuiskomt bijzin, tegenwoordige tijd
thuiskwaamt bijzin, verleden tijd
thuiskwam bijzin, verleden tijd
thuiskwamen bijzin, verleden tijd
waart thuisgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren thuisgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren thuisgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren thuisgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was thuisgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was thuisgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was thuisgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal thuisgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal thuisgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal thuisgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal thuiskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal thuiskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal thuiskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal thuiskomen bijzin, toekomende tijd
zijn thuisgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn thuisgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn thuisgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn thuisgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt thuisgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou thuisgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou thuisgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou thuisgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou thuiskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou thuiskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou thuiskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou thuiskomen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) thuiskomen thuis zou(dt) komen bijzin, voorwaardelijk
zouden thuisgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden thuisgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden thuisgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden thuiskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden thuiskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden thuiskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden thuiskomen bijzin, voorwaardelijk
zoudt thuisgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt thuiskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt thuiskomen bijzin, voorwaardelijk
zullen thuisgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen thuisgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen thuisgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen thuiskomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen thuiskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen thuiskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen thuiskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen thuiskomen bijzin, toekomende tijd
zult thuisgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult thuiskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult thuiskomen bijzin, toekomende tijd
zult/zal thuiskomen thuis zult/zal komen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van thuis en komen

Woordfamilie van thuiskomen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kom thuis gebiedende wijs thuiskomen
kome thuis woordvorm thuiskomen
komen thuis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon thuiskomen
komt thuis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon thuiskomen
kwam thuis verleden tijd thuiskomen
kwamen thuis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon thuiskomen
thuisgekomen voltooid deelwoord thuiskomen
thuiskom subordinate-clause, tegenwoordige tijd thuiskomen
thuiskome with-subordinate-clause thuiskomen
thuiskomend onvoltooid deelwoord thuiskomen
thuiskomende woordvorm thuiskomen
thuiskomt subordinate-clause, tegenwoordige tijd thuiskomen
thuiskwam subordinate-clause, verleden tijd thuiskomen
thuiskwamen subordinate-clause, verleden tijd thuiskomen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van thuiskomen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over thuiskomen

Wat is de betekenis van thuiskomen?
Thuiskomen is een werkwoord. De betekenis is: terugkeren in de eigen woning.
Hoe vervoeg ik thuiskomen?
Zo vervoeg je thuiskomen zo: het voltooid deelwoord is thuisgekomen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord thuiskomen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. H 4
  3. U 4
  4. I 1
  5. S 2
  6. K 3
  7. O 1
  8. M 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

thuiskomen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. H 4
  3. U 2
  4. I 2
  5. S 2
  6. K 3
  7. O 1
  8. M 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

thuiskomen in het kort

thuiskomen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van thuiskomen staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort thuiskomen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

thuiskomen: terugkeren in de eigen woning
Deel thuiskomen — standaardnederlands.nl