terugzien
werkwoordBetekenis
- na geruime tijd opnieuw zien
werkwoord
- opnieuw zichtbaar maken
Vervoeging van terugzien
terugzienhele werkwoord — zag terugverleden tijd enkelvoud — zagen terugverleden tijd meervoud — teruggezienvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zie terug | zag terug |
| jij | ziet terug | zaagt terug |
| hij, zij, het | ziet terug | zag terug |
| wij | zien terug | zagen terug |
| jullie | zien terug | zagen terug |
| zij | zien terug | zagen terug |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is teruggezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was teruggezien | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd teruggezien | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt teruggezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal teruggezien worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal teruggezien zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou teruggezien worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou teruggezien zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had teruggezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had teruggezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had teruggezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden teruggezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden teruggezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden teruggezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt teruggezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben teruggezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te zien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal zien | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou zien | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden zien | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt zien | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen zien | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult zien | bijzin, toekomende tijd |
| teruggezien | verleden tijd, deelwoord |
| teruggezien te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| teruggezien te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| teruggezien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggezien te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggezien te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggezien worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| teruggezien zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| teruggezien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| teruggezien zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| teruggezien zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugzaagt | bijzin, verleden tijd |
| terugzag | bijzin, verleden tijd |
| terugzagen | bijzin, verleden tijd |
| terugzie | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugziend | onvoltooid, deelwoord |
| terugziet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart teruggezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren teruggezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was teruggezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was teruggezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was teruggezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd teruggezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd teruggezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd teruggezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden teruggezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden teruggezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden teruggezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt teruggezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word teruggezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden teruggezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden teruggezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden teruggezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt teruggezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt teruggezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zag terug | verleden tijd |
| zal teruggezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggezien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal teruggezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal teruggezien zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggezien zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugzien | bijzin, toekomende tijd |
| zie terug | gebiedende wijs |
| zijn teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt teruggezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou teruggezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou teruggezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou teruggezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terugzien terug zou(dt) zien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden teruggezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden teruggezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden teruggezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden teruggezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt teruggezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt teruggezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terugzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen teruggezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggezien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen teruggezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen teruggezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen teruggezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen teruggezien zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggezien zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggezien zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugzien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van terug bw en zien ww
Woordfamilie van terugzien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| teruggezien | voltooid deelwoord | terugzien |
| teruggeziene | woordvorm | terugzien |
| terugzag | subordinate-clause, verleden tijd | terugzien |
| terugzagen | subordinate-clause, verleden tijd | terugzien |
| terugzie | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugzien |
| terugziend | onvoltooid deelwoord | terugzien |
| terugziende | woordvorm | terugzien |
| terugziet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugzien |
| zag terug | verleden tijd | terugzien |
| zagen terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugzien |
| zie terug | gebiedende wijs | terugzien |
| zien terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugzien |
| ziet terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugzien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugzien zijn vastgelegd.