terugverdienen
werkwoordBetekenis
- een eerder verlies of kostenpost weer goedmaken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van terugverdienen
terugverdienenhele werkwoord — verdiende terugverleden tijd enkelvoud — verdienden terugverleden tijd meervoud — terugverdiendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verdien terug | verdiende terug |
| jij | verdient terug | verdiende terug |
| hij, zij, het | verdient terug | verdiende terug |
| wij | verdienen terug | verdienden terug |
| jullie | verdienen terug | verdienden terug |
| zij | verdienen terug | verdienden terug |
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is terugverdiend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was terugverdiend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd terugverdiend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt terugverdiend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal terugverdiend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal terugverdiend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou terugverdiend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou terugverdiend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had terugverdiend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had terugverdiend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had terugverdiend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden terugverdiend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden terugverdiend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden terugverdiend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt terugverdiend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb terugverdiend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben terugverdiend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben terugverdiend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben terugverdiend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben terugverdiend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt terugverdiend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft terugverdiend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft terugverdiend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is terugverdiend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben terugverdiend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugverdienen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te verdienen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen verdienen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal verdienen | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou verdienen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden verdienen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt verdienen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen verdienen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen verdienen | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult verdienen | bijzin, toekomende tijd |
| terugverdien | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugverdiend | verleden tijd, deelwoord |
| terugverdiend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terugverdiend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terugverdiend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terugverdiend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terugverdiend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terugverdiend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| terugverdiend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| terugverdiend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugverdiend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugverdiend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugverdiende | bijzin, verleden tijd |
| terugverdienden | bijzin, verleden tijd |
| terugverdienend | onvoltooid, deelwoord |
| terugverdient | bijzin, tegenwoordige tijd |
| verdien terug | gebiedende wijs |
| verdiende terug | verleden tijd |
| waren terugverdiend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was terugverdiend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd terugverdiend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden terugverdiend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden terugverdiend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt terugverdiend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal terugverdiend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal terugverdiend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal terugverdiend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugverdiend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal terugverdiend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugverdienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugverdienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugverdienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugverdienen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn terugverdiend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou terugverdiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou terugverdiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou terugverdiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugverdiend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou terugverdiend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugverdienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugverdienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugverdienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugverdienen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terugverdienen terug zou(dt) verdienen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden terugverdiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden terugverdiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden terugverdiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugverdiend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugverdiend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugverdienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugverdienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugverdienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugverdienen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt terugverdiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terugverdienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugverdienen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen terugverdiend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen terugverdiend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen terugverdiend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugverdiend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugverdiend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugverdienen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugverdienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugverdienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugverdienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugverdienen | bijzin, toekomende tijd |
| zult terugverdiend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult terugverdienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terugverdienen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal terugverdienen terug zult/zal verdienen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van terug bw en verdienen ww
Woordfamilie van terugverdienen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| terugverdien | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugverdienen |
| terugverdiend | voltooid deelwoord | terugverdienen |
| terugverdiende | subordinate-clause, verleden tijd | terugverdienen |
| terugverdienden | subordinate-clause, verleden tijd | terugverdienen |
| terugverdiene | with-subordinate-clause | terugverdienen |
| terugverdienend | onvoltooid deelwoord | terugverdienen |
| terugverdienende | woordvorm | terugverdienen |
| terugverdient | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugverdienen |
| verdien terug | gebiedende wijs | terugverdienen |
| verdiende terug | verleden tijd | terugverdienen |
| verdienden terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugverdienen |
| verdiene terug | woordvorm | terugverdienen |
| verdienen terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugverdienen |
| verdient terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugverdienen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugverdienen zijn vastgelegd.