Naar de inhoud

terugvallen

een bereikte hogere positie weer op moeten geven

terugvallen is meer dan één woord

terugvallen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. een bereikte hogere positie weer op moeten geven
  2. figuurlijk een bereikte hogere positie weer op moeten geven
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van terugvallen

terugvallenhele werkwoord — viel terugverleden tijd enkelvoud — vielen terugverleden tijd meervoud — teruggevallenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik val terug viel terug
jij valt terug viel terug
hij, zij, het valt terug viel terug
wij vallen terug vielen terug
jullie vallen terug vielen terug
zij vallen terug vielen terug
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben teruggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent teruggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is teruggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is teruggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn teruggevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen terugvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terug te vallen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
terug te zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terug zal vallen bijzin, toekomende tijd
terug zou vallen bijzin, voorwaardelijk
terug zouden vallen bijzin, voorwaardelijk
terug zoudt vallen bijzin, voorwaardelijk
terug zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
terug zullen vallen bijzin, toekomende tijd
terug zult vallen bijzin, toekomende tijd
teruggevallen verleden tijd, deelwoord
teruggevallen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
teruggevallen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
terugval bijzin, tegenwoordige tijd
terugvallend onvoltooid, deelwoord
terugvalt bijzin, tegenwoordige tijd
terugviel bijzin, verleden tijd
terugvielen bijzin, verleden tijd
terugvielt bijzin, verleden tijd
val terug gebiedende wijs
viel terug verleden tijd
waart teruggevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren teruggevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren teruggevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren teruggevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was teruggevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was teruggevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was teruggevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal teruggevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal teruggevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal teruggevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal terugvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal terugvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal terugvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal terugvallen bijzin, toekomende tijd
zijn teruggevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn teruggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn teruggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn teruggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt teruggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou teruggevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou teruggevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou teruggevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou terugvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou terugvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou terugvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou terugvallen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) terugvallen terug zou(dt) vallen bijzin, voorwaardelijk
zouden teruggevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden teruggevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden teruggevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden terugvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden terugvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden terugvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden terugvallen bijzin, voorwaardelijk
zoudt teruggevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt terugvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt terugvallen bijzin, voorwaardelijk
zullen teruggevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen teruggevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen teruggevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen terugvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen terugvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen terugvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen terugvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen terugvallen bijzin, toekomende tijd
zult teruggevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult terugvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult terugvallen bijzin, toekomende tijd
zult/zal terugvallen terug zult/zal vallen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord terugval

Herkomst

samenstelling van terug bw en vallen ww

Woordfamilie van terugvallen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
teruggevallen voltooid deelwoord terugvallen
terugvalle with-subordinate-clause terugvallen
terugvallend onvoltooid deelwoord terugvallen
terugvallende woordvorm terugvallen
terugvalt subordinate-clause, tegenwoordige tijd terugvallen
terugviel subordinate-clause, verleden tijd terugvallen
terugvielen subordinate-clause, verleden tijd terugvallen
val terug gebiedende wijs terugvallen
valle terug woordvorm terugvallen
vallen terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon terugvallen
valt terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon terugvallen
viel terug verleden tijd terugvallen
vielen terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon terugvallen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugvallen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over terugvallen

Wat is de betekenis van terugvallen?
Terugvallen is een werkwoord. De betekenis is: een bereikte hogere positie weer op moeten geven. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik terugvallen?
Zo vervoeg je terugvallen zo: het voltooid deelwoord is teruggevallen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord terugvallen is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. U 4
  5. G 3
  6. V 4
  7. A 1
  8. L 3
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

terugvallen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. U 2
  5. G 3
  6. V 4
  7. A 1
  8. L 3
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 zonder bonus
  13. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

terugvallen in het kort

terugvallen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van terugvallen staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort terugvallen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

terugvallen: een bereikte hogere positie weer op moeten geven
Deel terugvallen — standaardnederlands.nl