terugvallen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een bereikte hogere positie weer op moeten geven
- figuurlijk een bereikte hogere positie weer op moeten geven
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van terugvallen
terugvallenhele werkwoord — viel terugverleden tijd enkelvoud — vielen terugverleden tijd meervoud — teruggevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val terug | viel terug |
| jij | valt terug | viel terug |
| hij, zij, het | valt terug | viel terug |
| wij | vallen terug | vielen terug |
| jullie | vallen terug | vielen terug |
| zij | vallen terug | vielen terug |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben teruggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent teruggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is teruggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is teruggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn teruggevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| teruggevallen | verleden tijd, deelwoord |
| teruggevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugvallend | onvoltooid, deelwoord |
| terugvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugviel | bijzin, verleden tijd |
| terugvielen | bijzin, verleden tijd |
| terugvielt | bijzin, verleden tijd |
| val terug | gebiedende wijs |
| viel terug | verleden tijd |
| waart teruggevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren teruggevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was teruggevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was teruggevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was teruggevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal teruggevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn teruggevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn teruggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn teruggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn teruggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt teruggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou teruggevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terugvallen terug zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terugvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen teruggevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult teruggevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult terugvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terugvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal terugvallen terug zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord terugval
Herkomst
samenstelling van terug bw en vallen ww
Woordfamilie van terugvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| teruggevallen | voltooid deelwoord | terugvallen |
| terugvalle | with-subordinate-clause | terugvallen |
| terugvallend | onvoltooid deelwoord | terugvallen |
| terugvallende | woordvorm | terugvallen |
| terugvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugvallen |
| terugviel | subordinate-clause, verleden tijd | terugvallen |
| terugvielen | subordinate-clause, verleden tijd | terugvallen |
| val terug | gebiedende wijs | terugvallen |
| valle terug | woordvorm | terugvallen |
| vallen terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugvallen |
| valt terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugvallen |
| viel terug | verleden tijd | terugvallen |
| vielen terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugvallen zijn vastgelegd.