terugtrekken
werkwoordBetekenis
- een eerder binnengetroken of veroverd gebied verlaten
- een uitgestoken lichaamsdeel weer verwijderen
werkwoord
- naar een minder openbare of zichtbare plaats gaan reflexive
Vervoeging van terugtrekken
terugtrekkenhele werkwoord — trok terugverleden tijd enkelvoud — trokken terugverleden tijd meervoud — teruggetrokkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trek terug | trok terug |
| jij | trekt terug | trok terug |
| hij, zij, het | trekt terug | trok terug |
| wij | trekken terug | trokken terug |
| jullie | trekken terug | trokken terug |
| zij | trekken terug | trokken terug |
Alle 159 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is teruggetrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was teruggetrokken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd teruggetrokken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt teruggetrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal teruggetrokken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal teruggetrokken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou teruggetrokken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou teruggetrokken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had teruggetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had teruggetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had teruggetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden teruggetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden teruggetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden teruggetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt teruggetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggetrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben teruggetrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugtrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te trekken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen trekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal trekken | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen trekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen trekken | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult trekken | bijzin, toekomende tijd |
| teruggetrokken | verleden tijd, deelwoord |
| teruggetrokken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| teruggetrokken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| teruggetrokken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggetrokken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggetrokken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggetrokken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| teruggetrokken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| teruggetrokken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| teruggetrokken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| teruggetrokken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugtrek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugtrekkend | onvoltooid, deelwoord |
| terugtrekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugtrok | bijzin, verleden tijd |
| terugtrokken | bijzin, verleden tijd |
| terugtrokt | bijzin, verleden tijd |
| trek terug | gebiedende wijs |
| trek u/je terug, trekt je terug | gebiedende wijs |
| trok terug | verleden tijd |
| waart teruggetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren teruggetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was teruggetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was teruggetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was teruggetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd teruggetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd teruggetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd teruggetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden teruggetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden teruggetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden teruggetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt teruggetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word teruggetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden teruggetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden teruggetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden teruggetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt teruggetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt teruggetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me terugtrekken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal teruggetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal teruggetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal teruggetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugtrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich terugtrekken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je terugtrekken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich teruggetrokken hebben | verleden tijd |
| zich terugtrekkend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt teruggetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou teruggetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou teruggetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou teruggetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugtrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terugtrekken terug zou(dt) trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden teruggetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden teruggetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden teruggetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden teruggetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugtrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt teruggetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt teruggetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terugtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugtrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je terugtrekken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons terugtrekken | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen teruggetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen teruggetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen teruggetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen teruggetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van terug bw en trekken ww
Woordfamilie van terugtrekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| teruggetrokken | voltooid deelwoord | terugtrekken |
| terugtrek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugtrekken |
| terugtrekke | with-subordinate-clause | terugtrekken |
| terugtrekkend | onvoltooid deelwoord | terugtrekken |
| terugtrekkende | woordvorm | terugtrekken |
| terugtrekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugtrekken |
| terugtrok | subordinate-clause, verleden tijd | terugtrekken |
| terugtrokken | subordinate-clause, verleden tijd | terugtrekken |
| trek terug | gebiedende wijs | terugtrekken |
| trekke terug | woordvorm | terugtrekken |
| trekken terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugtrekken |
| trekt terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugtrekken |
| trok terug | verleden tijd | terugtrekken |
| trokken terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugtrekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugtrekken zijn vastgelegd.