terugtreden
werkwoord t(ə)ˈrʏxtredə(n)Betekenis
- een ambt of positie opgeven
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je terugtreden uit?
/təˈrʏxtredən/
Terugtreden bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ʏ | put |
| x | acht |
| e | veel |
| d | dak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van terugtreden
terugtredenhele werkwoord — trad terugverleden tijd enkelvoud — traden terugverleden tijd meervoud — teruggetredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | treed terug | trad terug |
| jij | treedt terug | trad terug |
| hij, zij, het | treedt terug | trad terug |
| wij | treden terug | traden terug |
| jullie | treden terug | traden terug |
| zij | treden terug | traden terug |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben teruggetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent teruggetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is teruggetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is teruggetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn teruggetreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugtreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te treden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen treden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal treden | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou treden | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden treden | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt treden | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen treden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen treden | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult treden | bijzin, toekomende tijd |
| teruggetreden | verleden tijd, deelwoord |
| teruggetreden te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggetreden zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugtrad | bijzin, verleden tijd |
| terugtraden | bijzin, verleden tijd |
| terugtradt | bijzin, verleden tijd |
| terugtredend | onvoltooid, deelwoord |
| terugtreed | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugtreedt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| trad terug | verleden tijd |
| treed terug | gebiedende wijs |
| waart teruggetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggetreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren teruggetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggetreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was teruggetreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was teruggetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was teruggetreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal teruggetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugtreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugtreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugtreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugtreden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn teruggetreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn teruggetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn teruggetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn teruggetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt teruggetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou teruggetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugtreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugtreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugtreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugtreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terugtreden terug zou(dt) treden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugtreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugtreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugtreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugtreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terugtreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugtreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen teruggetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugtreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugtreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugtreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugtreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugtreden | bijzin, toekomende tijd |
| zult teruggetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult terugtreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terugtreden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal terugtreden terug zult/zal treden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van terug bw en treden ww
Woordfamilie van terugtreden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| teruggetreden | voltooid deelwoord | terugtreden |
| terugtrad | subordinate-clause, verleden tijd | terugtreden |
| terugtraden | subordinate-clause, verleden tijd | terugtreden |
| terugtrede | with-subordinate-clause | terugtreden |
| terugtredend | onvoltooid deelwoord | terugtreden |
| terugtredende | woordvorm | terugtreden |
| terugtreed | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugtreden |
| terugtreedt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugtreden |
| trad terug | verleden tijd | terugtreden |
| traden terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugtreden |
| trede terug | woordvorm | terugtreden |
| treden terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugtreden |
| treed terug | gebiedende wijs | terugtreden |
| treedt terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugtreden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugtreden zijn vastgelegd.