terugdenken
werkwoordBetekenis
- in herinnering oproepen
Vervoeging van terugdenken
terugdenkenhele werkwoord — dacht terugverleden tijd enkelvoud — dachten terugverleden tijd meervoud — teruggedachtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | denk terug | dacht terug |
| jij | denkt terug | dacht terug |
| hij, zij, het | denkt terug | dacht terug |
| wij | denken terug | dachten terug |
| jullie | denken terug | dachten terug |
| zij | denken terug | dachten terug |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dacht terug | verleden tijd |
| denk terug | gebiedende wijs |
| er is teruggedacht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was teruggedacht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd teruggedacht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt teruggedacht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal teruggedacht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal teruggedacht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou teruggedacht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou teruggedacht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had teruggedacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had teruggedacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had teruggedacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden teruggedacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden teruggedacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden teruggedacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt teruggedacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb teruggedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggedacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben teruggedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben teruggedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt teruggedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben teruggedacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugdenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te denken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen denken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal denken | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou denken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden denken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt denken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen denken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen denken | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult denken | bijzin, toekomende tijd |
| terugdacht | bijzin, verleden tijd |
| terugdachten | bijzin, verleden tijd |
| terugdenk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugdenkend | onvoltooid, deelwoord |
| terugdenkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| teruggedacht | verleden tijd, deelwoord |
| teruggedacht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggedacht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zal terugdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugdenken | bijzin, toekomende tijd |
| zal teruggedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou terugdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugdenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou teruggedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) terugdenken terug zou(dt) denken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden terugdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugdenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt terugdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugdenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen terugdenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugdenken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen teruggedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult terugdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terugdenken | bijzin, toekomende tijd |
| zult teruggedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal terugdenken terug zult/zal denken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van terug bw en denken ww
Woordfamilie van terugdenken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dacht terug | verleden tijd | terugdenken |
| dachten terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugdenken |
| denk terug | gebiedende wijs | terugdenken |
| denke terug | woordvorm | terugdenken |
| denken terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugdenken |
| denkt terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugdenken |
| terugdacht | subordinate-clause, verleden tijd | terugdenken |
| terugdachten | subordinate-clause, verleden tijd | terugdenken |
| terugdenk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugdenken |
| terugdenke | with-subordinate-clause | terugdenken |
| terugdenkend | onvoltooid deelwoord | terugdenken |
| terugdenkende | woordvorm | terugdenken |
| terugdenkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugdenken |
| teruggedacht | voltooid deelwoord | terugdenken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugdenken zijn vastgelegd.