terugbetalen
werkwoordBetekenis
- door iemand op voorschot betaalde uitgaven vergoeden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
werkwoord
- vereffenen van een schuld
Vervoeging van terugbetalen
terugbetalenhele werkwoord — betaalde terugverleden tijd enkelvoud — betaalden terugverleden tijd meervoud — terugbetaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | betaal terug | betaalde terug |
| jij | betaalt terug | betaalde terug |
| hij, zij, het | betaalt terug | betaalde terug |
| wij | betalen terug | betaalden terug |
| jullie | betalen terug | betaalden terug |
| zij | betalen terug | betaalden terug |
Alle 206 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| betaal terug | gebiedende wijs |
| betaalde terug | verleden tijd |
| er is terugbetaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was terugbetaald | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd terugbetaald | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt terugbetaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal terugbetaald worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal terugbetaald zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou terugbetaald worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou terugbetaald zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had terugbetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had terugbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had terugbetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had terugbetaald gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had terugbetaald gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had terugbetaald gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden terugbetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden terugbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden terugbetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden terugbetaald gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden terugbetaald gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden terugbetaald gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt terugbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt terugbetaald gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb terugbetaald gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben terugbetaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben terugbetaald gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben terugbetaald gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben terugbetaald gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt terugbetaald gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft terugbetaald gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft terugbetaald gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| kreeg terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| kreeg terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kreegt terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kregen terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| kregen terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| kregen terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| krijg terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| krijgen terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| krijgen terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| krijgen terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krijgt terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| krijgt terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| te hebben terugbetaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugbetalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te betalen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen betalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal betalen | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen betalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen betalen | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult betalen | bijzin, toekomende tijd |
| terugbetaal | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugbetaald | verleden tijd, deelwoord |
| terugbetaald gekregen hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| terugbetaald gekregen te hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terugbetaald gekregen te zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terugbetaald gekregen zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugbetaald krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| terugbetaald te krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terugbetaald te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terugbetaald te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terugbetaald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terugbetaald te zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terugbetaald te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terugbetaald te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terugbetaald worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| terugbetaald zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| terugbetaald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugbetaald zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugbetaald zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugbetaald zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugbetaalde | bijzin, verleden tijd |
| terugbetaalden | bijzin, verleden tijd |
| terugbetaalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugbetalend | onvoltooid, deelwoord |
| waart terugbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren terugbetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren terugbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren terugbetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was terugbetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was terugbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was terugbetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt terugbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal terugbetaald gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal terugbetaald gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal terugbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal terugbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugbetaald krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal terugbetaald krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal terugbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal terugbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal terugbetaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal terugbetaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugbetalen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt terugbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou terugbetaald gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou terugbetaald gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou terugbetaald gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou terugbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou terugbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugbetaald krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou terugbetaald krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van terug bw en betalen ww
Woordfamilie van terugbetalen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| betaal terug | gebiedende wijs | terugbetalen |
| betaalde terug | verleden tijd | terugbetalen |
| betaalden terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugbetalen |
| betaalt terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugbetalen |
| betale terug | woordvorm | terugbetalen |
| betalen terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugbetalen |
| terugbetaal | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugbetalen |
| terugbetaald | voltooid deelwoord | terugbetalen |
| terugbetaalde | subordinate-clause, verleden tijd | terugbetalen |
| terugbetaalden | subordinate-clause, verleden tijd | terugbetalen |
| terugbetaalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugbetalen |
| terugbetale | with-subordinate-clause | terugbetalen |
| terugbetalend | onvoltooid deelwoord | terugbetalen |
| terugbetalende | woordvorm | terugbetalen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugbetalen zijn vastgelegd.