Naar de inhoud

terugbetalen

door iemand op voorschot betaalde uitgaven vergoeden

terugbetalen

werkwoord

Betekenis

  1. door iemand op voorschot betaalde uitgaven vergoeden
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

werkwoord

  1. vereffenen van een schuld

Vervoeging van terugbetalen

terugbetalenhele werkwoord — betaalde terugverleden tijd enkelvoud — betaalden terugverleden tijd meervoud — terugbetaaldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik betaal terug betaalde terug
jij betaalt terug betaalde terug
hij, zij, het betaalt terug betaalde terug
wij betalen terug betaalden terug
jullie betalen terug betaalden terug
zij betalen terug betaalden terug
Alle 206 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
betaal terug gebiedende wijs
betaalde terug verleden tijd
er is terugbetaald impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was terugbetaald impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd terugbetaald impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt terugbetaald impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal terugbetaald worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal terugbetaald zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou terugbetaald worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou terugbetaald zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had terugbetaald voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had terugbetaald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had terugbetaald voltooid, verleden tijd, derde persoon
had terugbetaald gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had terugbetaald gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had terugbetaald gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden terugbetaald voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden terugbetaald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden terugbetaald voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden terugbetaald gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden terugbetaald gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden terugbetaald gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt terugbetaald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt terugbetaald gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb terugbetaald gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben terugbetaald actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben terugbetaald gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben terugbetaald gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben terugbetaald gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt terugbetaald gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft terugbetaald gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft terugbetaald gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kreeg terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
kreeg terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
kreeg terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kreegt terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kregen terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
kregen terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
kregen terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
krijg terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
krijgen terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
krijgen terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
krijgen terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
krijgt terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
krijgt terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
te hebben terugbetaald actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen terugbetalen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terug te betalen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
terug te zullen betalen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terug zal betalen bijzin, toekomende tijd
terug zou betalen bijzin, voorwaardelijk
terug zouden betalen bijzin, voorwaardelijk
terug zoudt betalen bijzin, voorwaardelijk
terug zullen betalen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
terug zullen betalen bijzin, toekomende tijd
terug zult betalen bijzin, toekomende tijd
terugbetaal bijzin, tegenwoordige tijd
terugbetaald verleden tijd, deelwoord
terugbetaald gekregen hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
terugbetaald gekregen te hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
terugbetaald gekregen te zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
terugbetaald gekregen zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
terugbetaald krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
terugbetaald te krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
terugbetaald te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
terugbetaald te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
terugbetaald te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
terugbetaald te zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terugbetaald te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terugbetaald te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
terugbetaald worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
terugbetaald zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
terugbetaald zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
terugbetaald zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
terugbetaald zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
terugbetaald zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
terugbetaalde bijzin, verleden tijd
terugbetaalden bijzin, verleden tijd
terugbetaalt bijzin, tegenwoordige tijd
terugbetalend onvoltooid, deelwoord
waart terugbetaald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren terugbetaald voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren terugbetaald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren terugbetaald voltooid, verleden tijd, derde persoon
was terugbetaald voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was terugbetaald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was terugbetaald voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt terugbetaald enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal terugbetaald gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal terugbetaald gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal terugbetaald hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal terugbetaald hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal terugbetaald hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal terugbetaald krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal terugbetaald krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal terugbetaald worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal terugbetaald worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal terugbetaald zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal terugbetaald zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal terugbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal terugbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal terugbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal terugbetalen bijzin, toekomende tijd
zijn terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt terugbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou terugbetaald gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou terugbetaald gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou terugbetaald gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou terugbetaald hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou terugbetaald hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou terugbetaald hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou terugbetaald krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou terugbetaald krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon

Herkomst

samenstelling van terug bw en betalen ww

Woordfamilie van terugbetalen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
betaal terug gebiedende wijs terugbetalen
betaalde terug verleden tijd terugbetalen
betaalden terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon terugbetalen
betaalt terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon terugbetalen
betale terug woordvorm terugbetalen
betalen terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon terugbetalen
terugbetaal subordinate-clause, tegenwoordige tijd terugbetalen
terugbetaald voltooid deelwoord terugbetalen
terugbetaalde subordinate-clause, verleden tijd terugbetalen
terugbetaalden subordinate-clause, verleden tijd terugbetalen
terugbetaalt subordinate-clause, tegenwoordige tijd terugbetalen
terugbetale with-subordinate-clause terugbetalen
terugbetalend onvoltooid deelwoord terugbetalen
terugbetalende woordvorm terugbetalen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugbetalen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over terugbetalen

Wat is de betekenis van terugbetalen?
Terugbetalen is een werkwoord. De betekenis is: door iemand op voorschot betaalde uitgaven vergoeden. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik terugbetalen?
Zo vervoeg je terugbetalen zo: het voltooid deelwoord is terugbetaald. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord terugbetalen is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. U 4
  5. G 3
  6. B 3
  7. E 1
  8. T 2
  9. A 1
  10. L 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

terugbetalen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. U 2
  5. G 3
  6. B 4
  7. E 1
  8. T 2
  9. A 1
  10. L 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 zonder bonus
  14. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

terugbetalen in het kort

terugbetalen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van terugbetalen staan er 121 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort terugbetalen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

terugbetalen: door iemand op voorschot betaalde uitgaven vergoeden
Deel terugbetalen — standaardnederlands.nl