Naar de inhoud

tenietdoen

tot niets terugbrengen

tenietdoen

werkwoord

Betekenis

  1. tot niets terugbrengen

Vervoeging van tenietdoen

tenietdoenhele werkwoord — deed tenietverleden tijd enkelvoud — deden tenietverleden tijd meervoud — tenietgedaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doe teniet deed teniet
jij doet teniet deed teniet
hij, zij, het doet teniet deed teniet
wij doen teniet deden teniet
jullie doen teniet deden teniet
zij doen teniet deden teniet
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
deed teniet verleden tijd
doe teniet gebiedende wijs
er is tenietgedaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was tenietgedaan impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd tenietgedaan impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt tenietgedaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal tenietgedaan worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal tenietgedaan zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou tenietgedaan worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou tenietgedaan zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had tenietgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had tenietgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had tenietgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden tenietgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden tenietgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden tenietgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt tenietgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tenietgedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben tenietgedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen tenietdoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
teniet te doen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
teniet te zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
teniet zal doen bijzin, toekomende tijd
teniet zou doen bijzin, voorwaardelijk
teniet zouden doen bijzin, voorwaardelijk
teniet zoudt doen bijzin, voorwaardelijk
teniet zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
teniet zullen doen bijzin, toekomende tijd
teniet zult doen bijzin, toekomende tijd
tenietdeden bijzin, verleden tijd
tenietdeed bijzin, verleden tijd
tenietdeedt bijzin, verleden tijd
tenietdoe bijzin, tegenwoordige tijd
tenietdoend onvoltooid, deelwoord
tenietdoet bijzin, tegenwoordige tijd
tenietgedaan verleden tijd, deelwoord
tenietgedaan te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
tenietgedaan te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
tenietgedaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
tenietgedaan te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tenietgedaan te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
tenietgedaan worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
tenietgedaan zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
tenietgedaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
tenietgedaan zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
tenietgedaan zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart tenietgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren tenietgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren tenietgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren tenietgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was tenietgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was tenietgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was tenietgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd tenietgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd tenietgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd tenietgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden tenietgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden tenietgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden tenietgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt tenietgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word tenietgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden tenietgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden tenietgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden tenietgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt tenietgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt tenietgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal tenietdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal tenietdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal tenietdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal tenietdoen bijzin, toekomende tijd
zal tenietgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tenietgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal tenietgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tenietgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tenietgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal tenietgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tenietgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt tenietgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou tenietdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou tenietdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou tenietdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou tenietdoen bijzin, voorwaardelijk
zou tenietgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tenietgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tenietgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tenietgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tenietgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou tenietgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tenietgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tenietgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tenietgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) tenietdoen teniet zou(dt) doen bijzin, voorwaardelijk
zouden tenietdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tenietdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tenietdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden tenietdoen bijzin, voorwaardelijk
zouden tenietgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden tenietgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden tenietgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tenietgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tenietgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tenietgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tenietgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden tenietgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden tenietgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt tenietdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt tenietdoen bijzin, voorwaardelijk
zoudt tenietgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tenietgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tenietgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen tenietdoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen tenietdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tenietdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tenietdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen tenietdoen bijzin, toekomende tijd
zullen tenietgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen tenietgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen tenietgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tenietgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tenietgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tenietgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tenietgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen tenietgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen tenietgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van teniet en doen

Woordfamilie van tenietdoen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
deden teniet aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon tenietdoen
deed teniet verleden tijd tenietdoen
doe teniet gebiedende wijs tenietdoen
doen teniet aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon tenietdoen
doet teniet aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon tenietdoen
tenietdeden subordinate-clause, verleden tijd tenietdoen
tenietdeed subordinate-clause, verleden tijd tenietdoen
tenietdoe subordinate-clause, tegenwoordige tijd tenietdoen
tenietdoend onvoltooid deelwoord tenietdoen
tenietdoende woordvorm tenietdoen
tenietdoet subordinate-clause, tegenwoordige tijd tenietdoen
tenietgedaan voltooid deelwoord tenietdoen
tenietgedane woordvorm tenietdoen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tenietdoen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over tenietdoen

Wat is de betekenis van tenietdoen?
Tenietdoen is een werkwoord. De betekenis is: tot niets terugbrengen.
Hoe vervoeg ik tenietdoen?
Zo vervoeg je tenietdoen zo: het voltooid deelwoord is tenietgedaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord tenietdoen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. N 1
  4. I 1
  5. E 1
  6. T 2
  7. D 2
  8. O 1
  9. E 1
  10. N 1
  11. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

tenietdoen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. N 1
  4. I 2
  5. E 1
  6. T 2
  7. D 2
  8. O 1
  9. E 1
  10. N 1
  11. 14 zonder bonus
  12. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (T) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

tenietdoen in het kort

tenietdoen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van tenietdoen staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort tenietdoen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

tenietdoen: tot niets terugbrengen
Deel tenietdoen — standaardnederlands.nl