tempel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈtɛmpəlBetekenis
- een gebouw voor godsverering
Hoe spreek je tempel uit?
/ˈtɛmpəl/
Tempel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛ | bed |
| m | maan |
| p | pak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tempels | meervoud |
| tempeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tempeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tempelen
- gebiedende wijs van tempelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tempelen
Vervoeging van tempel
tempelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bedehuis’ voor het eerst aangetroffen in 1271
Woordfamilie van tempel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tempels | meervoud | tempel |
| tempeltje | verkleinwoord | tempel |
| tempeltjes | verkleinwoord meervoud | tempel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tempel zijn vastgelegd.